Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Orgaandonatie

Onder orgaandonatie wordt verstaan het afstaan van een of meerdere organen aan – veelal onbekende – mensen die een orgaan nodig hebben om in leven te kunnen blijven (bijvoorbeeld hart, longen) of om een leven te kunnen leiden waarvan de kwaliteit sterk verbeterd is (bijvoorbeeld een nier om niet meer afhankelijk te zijn van dialyse). Het is opvallend dat er vaak gesproken wordt over orgaandonatie en veel minder over orgaanreceptie (een orgaan ontvangen). Ethische vragen doen zich vooral voor rond de kwestie of een orgaan mag worden afgestaan, na overlijden of bij het leven (dit laatste geldt alleen voor een nier en een stukje van de lever).

Ontwikkeling van orgaandonatie

In 1906 vond de eerste hoornvliestransplantatie plaats. De verdere ontwikkeling van de transplantatietechniek is ondenkbaar zonder de ontdekking van de bloedgroepen in 1900, die bloedtransfusie mogelijk maakte, en later van de weefselgroepen. In 1954 vond in Amerika de eerste niertransplantatie plaats: een nier werd van de ene naar de andere eeneiige tweelingbroer overgebracht. In 1967 voerde Christiaan Barnard in Zuid-Afrika de eerste harttransplantatie uit.

In Nederland is een groot tekort aan organen. Er staan steeds ruim 1000 mensen op de wachtlijst voor het ontvangen van een orgaan. Van hen sterven er jaarlijks 150 à 200 omdat er niet op tijd een orgaan beschikbaar is. Bovendien worden jaarlijks nog eens 50 mensen van de wachtlijst gehaald omdat hun toestand te slecht is geworden om nog te kunnen worden geopereerd. Gemiddeld duurt het vier jaar voordat een ontvanger een orgaan daadwerkelijk krijgt. Door wetgeving wordt geprobeerd het aantal potentiële donoren te verhogen. Zo ging per 1 juli 2020 ons land over van het ‘toestemmingssysteem’ naar het ‘geenbezwaarsysteem’. Van principieel belang hierbij is dat de vrijwillige keuze van de burger volledig gerespecteerd blijft. Wanneer bijvoorbeeld de overheid zou gaan beslissen dat iemand zijn organen na de dood zou móéten afstaan, is van donatie geen sprake meer.

Donatie (na overlijden) kan alleen op twee voorwaarden: toestemming is gegeven bij het leven en de persoon in kwestie moet hersendood zijn. Hersencellen kunnen zich dan niet meer delen en iemand is in feite al overleden, ook al wordt het lichaam door apparatuur nog in leven gehouden. Hersendood is iets anders dan coma bij hersenbeschadiging. Beschadigde hersencellen kunnen zich – als de beschadiging niet te erg is – herstellen en dan kan iemand uit het coma ontwaken, al dan niet met beperkingen. Bij hersendood is dat onmogelijk. Voor het vaststellen van hersendood worden betrouwbare protocollen gehanteerd.

Bijbelse aanzetten

Veel christenen en andere gelovigen aarzelen over orgaandonatie. Is dit wel de bedoeling? Een argument dat in dit verband wel naar voren wordt gebracht, is dat het een schending is van de mens als beeld van God. Onder meer 1 Korintiërs 12 en 15 en Romeinen 14 lijken het lichaam immers te tekenen als een eenheid, en organen dragen het stempel van een unieke persoonlijkheid en zijn ook na de dood eigendom van de Heer. Toch biedt de Bijbel ook aanzetten voor een positieve ethische beoordeling ervan. Hierbij is te denken aan het volgende:

  • Het doneren van een orgaan is een concrete invulling van naastenliefde. Door ontwikkelingen in de cultuur zijn er nu vormen van naastenliefde die vroeger ondenkbaar waren.
  • In Galaten 4:15 schrijft Paulus aan de Galaten: ‘Ik kan van u getuigen dat u zelfs uw ogen zou hebben uitgerukt om ze mij te geven.’ Dat kun je als beeldspraak opvatten, maar misschien was het wel heel concreet bedoeld: mogelijk had de apostel slechte ogen en wilden de Galatische christenen hem hun ogen wel geven als dat mogelijk zou zijn. Blijkbaar werd de gedachte van het afstaan van organen ten behoeve van de naaste niet als verwerpelijk gezien.
  • In de Bijbel wordt het leven gezien als geschenk van God. Mensen hebben hun organen van de schepper gekregen voor hun reis door het leven. We hebben deze dus in bruikleen. Vanuit dit besef kunnen we er anderen een geweldige dienst mee bewijzen wanneer we ze zelf niet meer nodig hebben.
  • In Matteüs 7:12 lezen we de gulden regel: ‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.’ 88 procent van de Nederlanders zou wel een orgaan willen ontvangen als dat nodig is. Zouden we dan ook niet bereid moeten zijn tot geven wanneer anderen organen nodig hebben?
  • In Filippenzen 4:5 lezen we: ‘Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen,’ waarmee Paulus ook doelt op welwillendheid. In de lijn van dit woord mag verwacht worden dat juist in de kring van de gelovigen de bereidheid tot donatie hoog zal zijn.

Zo zijn er vanuit een Bijbelse grondhouding positieve argumenten voor orgaantransplantatie aan te dragen.

Verantwoording

Dit topic is afkomstig uit de Bijbel met bijdragen over geloof, cultuur en wetenschap, ook bekend als de Wetenschapsbijbel

Gerelateerde Bijbelgedeelten

Matteüs 7.12
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.21.9
Volg ons