Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Engelen en demonen

‘Door goede machten stil en trouw omgeven.’ Met die woorden begint het lied dat Dietrich Bonhoeffer in 1944 schreef voor de oudejaarsavond. Ondanks zijn gevangenschap en ondanks zijn zoeken naar een religieloos christendom, bleef deze theoloog geloven in goede machten.

Wie in de eenentwintigste eeuw zoiets zegt, wordt al snel uitgemaakt voor naïef: weldenkende mensen horen immers niet in engelen of demonen te geloven. Maar het volledige oude Nabije Oosten is doordrenkt met de gedachte van het bestaan van goede en kwade machten. Deze werden niet zoals de goden vereerd met een officiële cultus en ritueel. Kwade machten werden gevreesd. Er bestaan vele bezweringen waarmee hun invloed werd tegengegaan. Goede machten werden verwelkomd. Deze praktijken zijn vooral terug te vinden in de godsdienst op het niveau van het huisgezin.

Mesopotamië: kwaad met kwaad bestrijden

In het oude Mesopotamië werd geloofd dat de onderwereld bevolkt was door demonen. Deze kwamen met regelmaat tevoorschijn om het leven van stervelingen moeilijk te maken. Zij brachten ziekte, dood, misgeboorte en psychische aandoeningen. De Mesopotamische demonenwereld bestond uit een groot aantal uiteenlopende kwade machten die in groepen waren ingedeeld. Een van de meest genoemde demonen was Lamasjtoe. Zij werd voorgesteld als een samengesteld wezen: het hoofd van een leeuw, de tanden van een ezel, naakte borsten, harige huid, lange met bloed besmeurde vingers en de voeten van een vogel. Aan haar wangedrag werden miskramen en wiegendood toegeschreven. Amuletten werden ingezet om haar werking te beperken.

Een beruchte groep demonen werd gevormd door de Oetoekkoe lemnoetoe, ‘kwade machten’. Zij brachten op onverwachte momenten grote schade aan het menselijk leven toe. Vooral aandoeningen die wij nu onder de psychiatrie zouden laten vallen, waren het werk van deze kwade machten. Er zijn uit Mesopotamië geen afbeeldingen van hen bekend. Wel is er het exorcisme-handboek dat naar de te bestrijden demonen Oetoekkoe lemnoetoe is genoemd, dat uitgebreide recepten bevat voor de bestrijding van de invloed van deze kwade machten (zie ook bij 2 Koningen 4:33-34). Het grote aantal kopieën dat gevonden is, geeft aan dat dit handboek telkens weer is gebruikt. Het staat vol bezweringen en rituelen. Opmerkelijk daarbij is dat in veel gevallen een goede oetoekkoe wordt aangeroepen als tegengif tegen het aangedane kwaad.

Egypte: bewakers en dolers

De demonenwereld van het oude Egypte zag er anders uit. Het Oudegyptisch kent eigenlijk geen equivalent van het woord ‘demon’. In de teksten komen twee soorten kwade machten naar voren: de bewakers en de dolers.

De eerste groep was plaatsgebonden. Zij waren als het ware grensbewakers. Veel van deze bewakers hielden zich op bij rivieren en maakten reizigers de overtocht moeilijk. In dit licht is het niet vreemd dat Jakob in Genesis 32 een nacht strijdt met een onbekende figuur. Andere bewakers hielden zich op bij de ingang van het dodenrijk. Zij beschermden de liefelijke onderwereld tegen menselijke indringers. Alleen wie de juiste formules kende werd binnengelaten.

Egyptische ‘dolers’ waren kwade machten die rusteloos het aardoppervlakte doorkruisten, bij voorkeur in de nacht. Ze voerden in naam van grote goden als Re en Osiris de straffen uit die aan mensen van slecht gedrag waren toegekend. Zij brachten chaos in de natuur (overstromingen), de samenleving (ineenstorting van een vijandig koningshuis), of het leven van een enkel mens (ziekte, dood enzovoort).

Eén God?

De godsdienst van het Oude Israël is lange tijd door een monotheïstische bril bezien. De HEER (JHWH) werd gezien als de enige en unieke God. Andere goden –~zoals Baäl en Astarte –~werden beschouwd als nietigheden die alleen door afvalligen werden vereerd. In die benadering bleven de in het Oude Testament aanwezige demonen onder de radar. Toch zijn die wel degelijk te vinden.

Deuteronomium 32:17 en Psalm 106:37 vermelden de sjedim, ‘boze geesten’. Aan hen werden kinderoffers gebracht, wat mogelijk duidt op het feit dat deze sjedim allerlei onheil en ellende brachten, waartegen een offer als schild nodig was. Volgens een joodse legende waren de sjedim de nakomelingen die Adam verwekt had bij Lilit, volgens de legende de veelal boosaardige vrouw van Adam die God zelf nog vóór Eva geschapen had. Een andere legende ziet hen als afstammelingen van de slang uit de hof van Eden. In de oude vertalingen in het Grieks en het Latijn worden zij ‘demonen’ genoemd.

Jesaja 13 schildert de ondergang van Babel. Het machtige land zal tot woestenij worden:

21Dieren uit de woestijn legeren zich daar,

uilen nemen de huizen in bezit,

struisvogels gaan er wonen

en bokken dansen er rond.

Jesaja 13:21NBV21Open in de Bijbel

Het Hebreeuwse woord voor ‘bokken’ (se‘erim) duidt op harige demonen in de gestalte van een geit (zie ook Jes. 34:14). In Leviticus 17:7 worden offers aan dergelijke geit-demonen verboden. Een identificatie met de Egyptische geit-demon Baphomet ligt voor de hand. Welk kwaad deze se‘erim aanrichtten is onbekend.

Ook in Psalm 91 komen enkele demonen voor. Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont, hoeft voor hen niet te vrezen:

5De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen,

ook de pijl niet die overdag op je afvliegt,

6noch de pest die rondwaart in het donker,

noch de plaag die toeslaat midden op de dag.

Psalmen 91:5-6NBV21Open in de Bijbel

Het gaat hier om een viertal kwade machten die het mensenleven naar beneden trekken. De afwisseling met aanduidingen voor de delen van een dag geeft aan dat het gevaar altijd op de loer kan liggen. Vermoedelijk zorgden deze vier kwade machten voor verstoringen van de psychische balans. Anders gezegd: psychische stoornissen werden gezien als veroorzaakt door kwade machten (Bezetenheid). Het geloof in God kon een mens daartegen beschermen. Evangelische christenen in Chili brengen daarom tot op de dag van vandaag een amulet met de tekst van Psalm 91 op hun deurposten aan om hun woning van onheil te vrijwaren.

Engelen

Hoewel andere oud-oosterse culturen ‘goede demonen’ kennen, komt het woord ‘engel’ alleen voor in het Oude en Nieuwe Testament. Het Hebreeuwse woord voor engel betekent letterlijk: ‘bode, boodschapper’. En dat is ook in het Grieks het geval. Het is soms dan ook lastig om te bepalen of het om ‘bode, boodschapper’ in de alledaagse zin van het woord gaat of dat er gedacht is aan engelen als hemelbewoners. Engelen in de gangbare betekenis van het woord waren hemelse wezens die de communicatie tussen de wereld van God en het aardse vlak onderhielden.

Het concept ‘engel’ verschuift met de tijd. In de oudste verhalen zijn engelen naamloos en enigszins vormloos. Hun postuur wordt nauwelijks beschreven. In Genesis 18 wordt verteld van het bezoek van drie mannen aan Abraham die hem de geboorte van een zoon aankondigen. Door de openingszin van Genesis 18 weet de lezer dat de drie mannen God vertegenwoordigden. Een van hen wordt zelfs geïdentificeerd met de HEER, al laat de verteller er zich niet duidelijk over uit of Abraham dat ook zo begrepen had. Iets dergelijks geldt ook voor de engel die in Rechters 13 aan Manoach en zijn vrouw de geboorte van Simson aankondigt. Het gaat niet zomaar om een engel, maar om ‘de engel van de HEER’, in feite God zelf. Ook hier is dat bij de verteller bekend, maar Manoach en zijn vrouw hebben het eerst nog niet door (Recht. 13:6 en 10). Pas in Rechters 13:22 zegt Manoach: ‘We hebben God gezien.’ Wanneer Jakob op de vlucht is voor de wraak van zijn broer Esau, heeft hij op de grens van het beloofde land een visioen, waarbij engelen opstijgen en neerdalen op een ladder die hemel en aarde verbindt (Gen. 28:10-22). Onvermeld is of deze engelen vleugels hadden.

Van bepaalde groepen engelen wordt wel gezegd dat ze vleugels hebben. De gouden cherubs die aan weerszijden van de ark van het verbond staan, spreiden hun vleugels beschermend over de ark uit. En in het roepingsvisioen van Jesaja komen engelen voor die elk zes vleugels hebben (Jes. 6:1-10). Ze worden aangeduid met het Hebreeuwse woord serafim, dat elders met ‘giftige slangen’ wordt vertaald (bijvoorbeeld Num. 21:6). In het jodendom dat na de Babylonische ballingschap ontstaat, is er een dubbele beweging zichtbaar. God wordt meer en meer als verheven en onbereikbaar voorgesteld. Tegelijkertijd ontstaat de verering van talloze engelen die bij name worden genoemd: Gabriël, Michaël, Rafaël, Uriël enzovoort, zoals die naar voren komen in bijvoorbeeld de boeken Daniël, Henoch, Jubileeën en Openbaring van Johannes. In de tijd van het Nieuwe Testament en daarna treffen we groeperingen aan waarin engelen een belangrijke rol in de cultus speelden (vgl. Kol. 2:18), hetzij dat ze het voorbeeld van de engelen in de hemelse liturgie wilden navolgen, hetzij dat ze tot daadwerkelijke verering van engelen overgingen. In sommige vroegchristelijke en gnostische groeperingen werd Jezus als engel vereerd.

Goede machten

Sinds de verlichting is er kritiek gekomen op dit wereldbeeld. Het geloof in deze geestelijke machten werd als bijgeloof gezien en gaandeweg ‘afgeschaft’. Daardoor leven we vandaag tot op zekere hoogte in wat wel genoemd wordt een ‘onttoverde wereld’. Het is echter goed om te bedenken dat dit vooral in het Westen het geval is, en ook daar niet overal en voor altijd. Zo laat de overvloed aan monsters in de populaire cultuur –~van videogames tot hardrockmuziek –~zien dat er ook in een postseculiere wereld behoefte is om het kwaad een vorm te geven.

En op een positieve manier geeft het oudejaarsavondlied van Bonhoeffer aan dat de mens niet leven kan met een spirituele kaalslag.

Verantwoording

Dit thema is afkomstig uit de Bijbel met bijdragen over geloof, cultuur en wetenschap, ook bekend als de Wetenschapsbijbel

Gerelateerde Bijbelgedeelten

Psalmen 91
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.21.9
Volg ons