Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

De opstanding van Jezus

Jezus’ opstanding uit de dood raakt de kern van het christelijk geloof. ‘Als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos,’ schreef Paulus al aan de gelovigen in Korinte (1 Kor. 15:14), in een hoofdstuk dat helemaal gewijd is aan de opstanding. In de tijd van Paulus was het blijkbaar al een kwestie die de gemoederen bezighield en tot onderlinge verdeeldheid leidde (vgl. 2 Tim. 2:17-18) en dat is tot op de dag van vandaag niet anders. De opstanding wordt dan ook gezien als een essentieel en onopgeefbaar onderdeel van het christelijk geloof. Wie er vraagtekens bij plaatst, kan vaak rekenen op scherpe kritiek, onbegrip en uitsluiting, want het zou gaan om iets wat je simpelweg moet gelóven. De verhouding wetenschap en geloof lijkt juist hier op scherp te staan: waar de wetenschap er niet uit komt of met bevindingen komt die niet goed uitpakken, zou je op geloof aangewezen zijn. Tegelijk kunnen we ons afvragen of moderne wetenschap hier wel zo’n grote rol speelt, omdat het altijd al common sense was dat doden niet opstaan. De gedachte dat Jezus dat wel deed, leidde dan ook vanaf het begin tot ongeloof en spot (Hand. 17:32).

Feit en interpretatie

De op het eerste gezicht zo eenvoudige vraag of Jezus nu wel of niet uit de doden is opgestaan, is bij nader inzien complexer dan het zojuist geschetste doet vermoeden. Het wekt namelijk de suggestie dat het een kwestie is van feiten (data) verzamelen die uiteindelijk met voldoende overtuigingskracht de doorslag geven in de ene of in de andere richting. Maar daarbij wordt over het hoofd gezien dat er altijd interpretatie bij komt kijken: feiten moeten geïnterpreteerd, geduid en verklaard worden. Ook als historisch onomstotelijk vast zou komen te staan dat het graf van Jezus leeg was, dan nog moet verklaard worden waarom dat het geval was. In de loop van de geschiedenis zijn talloze pogingen gedaan om zo’n verklaring te geven: er zou sprake zijn van grafroof (vgl. Mat. 28:13-15), de vrouwen zouden naar het verkeerde graf zijn teruggekeerd, het stoffelijk overschot van Jezus zou extreem snel tot ontbinding zijn overgegaan, de leerlingen zouden de opstanding in scène hebben gezet of de evangelisten zouden het hele verhaal verzonnen hebben enzovoort. Ook het Nieuwe Testament zelf geeft een verklaring: het graf was leeg omdat Jezus uit de dood was opgestaan (Marc. 16:6).

Nu zijn uitspraken in het Nieuwe Testament over de opstanding nooit neutrale uitspraken. De schijnbaar neutrale stelling dat het graf van Jezus leeg was, impliceert in het Nieuwe Testament steeds dat God Hem uit de dood heeft opgewekt. Tegelijkertijd roept het bij de leerlingen de vraag op wat er dan wel bedoeld wordt met deze opstanding uit de dood (vgl. Marc. 9:10). In het jodendom van die dagen waren er verschillende opvattingen over wat dat opstaan moest voorstellen. De een bedoelde met sterven en opstaan ‘sterven en (letterlijk, met lichaam en al) opstaan uit de dood’, de ander bedoelde er ‘sterven en (al dan niet lichamelijk) opstaan in de hemel’ mee. Beide voorstellingen kwamen ook in het vroege christendom voor.

Een fenomenologische benadering

Kunnen we ooit verder komen dan de constatering dat de opstanding van Jezus een geloofskwestie is? Een zogenaamde fenomenologische benadering probeert dat. Fenomenologisch wil zeggen: gebaseerd op een zo neutraal mogelijke beschrijving van hoe de dingen zich aan ons voordoen. Met andere woorden: een beschrijving die door zo veel mogelijk waarnemers en onderzoekers gedeeld kan worden, ongeacht hun persoonlijke overtuiging. Toegepast op de opstanding van Jezus: wat er in het graf op de Eerste Paasdag plaatsvond, kan niet beschreven worden (niemand was erbij!), maar de effecten (het resultaat) ervan wel. Er deden namelijk claims van volgelingen de ronde die beweerden dat Jezus na zijn dood levend en wel aan hen verschenen was. En van de ene op de andere dag spraken zij over Jezus met woorden en begrippen die normaal gesproken alleen op God van toepassing waren. De stelling ‘het graf was leeg omdat Jezus uit de dood opstond’ kan niet onomstotelijk bewezen worden: er zijn alternatieve verklaringen denkbaar en het is juist de verklaring zelf die ter discussie staat. De claim ‘de eerste christenen waren er rotsvast van overtuigd dat het graf leeg was omdat Jezus uit de dood opstond’ laat zich beter onderzoeken, omdat het een neutrale(re) uitspraak is die al dan niet geverifieerd kan worden aan de hand van bronnen. De fenomenologische aanpak probeert op deze manier het draagvlak voor beweringen zo breed mogelijk te maken. Wat historisch onderzocht kán worden − aangenomen dat er voldoende data voorhanden zijn − zijn opstandingsgeloof, opstandingsvoorstellingen en -verwachtingen, overtuigingen enzovoort.

De chaos van het begin als vertrekpunt

Wie de opstandings- en verschijningsverhalen uit de vier evangeliën naast elkaar legt, komt al snel tot de conclusie dat er nogal wat verschillen zijn die zich niet zomaar laten gladstrijken. Waarom noemt Marcus geen verschijningen van Jezus aan het eind van zijn evangelie? Waarom vermelden Matteüs, Lucas en Johannes verschillende verschijningen met nauwelijks of geen overlap? Waarom rept Lucas met geen woord over verschijningen in Galilea? Aan wie verscheen Jezus eigenlijk het eerst? En wat is de aard van die verschijningen? Waren het visioenen? Fysieke ervaringen? Verschijningen vanuit de hemel of vanuit een tijdelijke locatie op aarde? Decennia na de gebeurtenissen waren er dus nog vragen te over.

In 1 Korintiërs 15:3-8, geschreven in de jaren vijftig van de eerste eeuw, geeft Paulus een samenhangende opsomming van de gebeurtenissen rondom Jezus’ lijden en sterven en noemt hij de verschillende personen en groepen aan wie Jezus was verschenen. Hij voegt er nadrukkelijk aan toe dat hij het bericht over Jezus’ dood, begrafenis en opstanding uit overlevering heeft ontvangen. Algemeen wordt aangenomen dat de kern van de belijdenis uit 1 Korintiërs 15:3-5 teruggaat op de vroegste periode van de (Arameessprekende) gemeente in Jeruzalem, ergens in de jaren dertig.

De alleroudste belijdenissen over Jezus’ status na zijn dood stellen dat Jezus Heer (kurios) is, door God verhoogd en nu aan Gods rechterhand gezeten. Met andere woorden: Hij heeft een positie gekregen die met niets en niemand anders te vergelijken is. Wat daarbij opvalt is dat de opstanding niet altijd expliciet genoemd wordt of van zijn verhoging is te onderscheiden. Jezus’ opstanding en verhoging vormen als het ware de oerknal die alles in gang heeft gezet − een overrompelende ervaring waarvoor de eerste gelovigen pas gaandeweg woorden en begrippen wisten te vinden, vooral doordat ze er de Schriften op nasloegen. Pas na verloop van tijd en door meer reflectie leidde dat tot een samenhangender beeld.

Pogingen om er wat van te maken: het beroep op de Schrift

Voor joden was er wel een verstaanskader aan de hand waarvan Jezus’ dood en opstanding uitgelegd konden worden, namelijk de gezaghebbende geschriften die wij nu het Oude Testament noemen. Maar in de Grieks-Romeinse wereld lagen er nauwelijks bouwstenen klaar voor een opstandingsgeloof. Er kon wel een voorstelling van worden gemaakt, maar de gedachte aan een terugkeer naar dit aardse tranendal werd er over het algemeen als beklemmend ervaren − de dood was juist een bevrijding uit dit aards-materiële leven. En wie bij de poort van de onderwereld de toegang tot het hiernamaals werd geweigerd en zonder succes terugkeerde, moest wel een loser of een slechterik zijn. Aantrekkelijk was de voorstelling van een opstanding dus zeker niet.

Dat was duidelijk anders in het jodendom, waarin de oorsprong van het vroege christendom ligt. Toch is niet altijd duidelijk wat de precieze voorstelling van de opstanding is als er in het Oude Testament over wordt gesproken: gaat het om een bewaard worden voor de dood of een redding uit de dood? Is er sprake van een letterlijke of een figuurlijke betekenis? Gaat het om een nationale of een individuele toepassing? Maar in alle gevallen wordt opstandingstaal gebruikt om iets over God te zeggen: over zijn trouw, die over dood en graf heen reikt, over zijn rechtvaardigheid die niet geschonden kan worden, over zijn macht die niet door dood en verderf gestopt kan worden. Hierop grepen de eerste christenen dus terug om uit te leggen wat er met Jezus gebeurd was. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Handelingen 2 (vers 24-36) en in 1 Korintiërs 15, waar nadrukkelijk wordt gezegd dat Christus ‘op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat’ (1 Kor. 15:4).

In het algemeen was het beroep op de Schrift niet bedoeld om te bewijzen maar om te verhelderen en om woorden te vinden om de ervaring te benoemen. De meest geciteerde tekst in dit verband is Psalm 110:

1Van David, een psalm.

De HEER spreekt tot mijn heer:

‘Neem plaats aan mijn rechterhand,

Ik maak van je vijanden

een bank voor je voeten.’

Psalmen 110:1NBV21Open in de Bijbel

Op basis van deze psalm volgde de conclusie dat wat er na zijn dood met Jezus gebeurd was, geïnterpreteerd moest worden als zijn verhoging, dat wil zeggen zijn troonsbestijging. In de oorspronkelijke context gaat de psalm niet over de opstanding van Jezus. Maar de overtuiging dat Jezus zich nu als ‘Heer’ (kurios) op de hoogst denkbare positie naast God in de hemel bevond, was zó dwingend dat het voor de eerste christenen onmogelijk was om bij het lezen van deze psalm niet aan de opstanding en verhoging van Jezus te denken.

Ten slotte

De verkondigers van het eerste uur waren geen wetenschappelijk geschoolde historici in de moderne zin van het woord en ze hanteerden ook geen academisch neutraliteitsbeginsel. Het waren betrokken volgelingen van Jezus die wat hun overkomen was in de beelden en concepten van hun tijd en cultuur probeerden te vatten.

Wat er precies gebeurd is tussen het sterven van Jezus en de eerste verschijning aan zijn volgelingen, blijft een raadsel, omdat wij niet zelf kunnen zien wat er gebeurd is. We kunnen niet terug tot de oerknal, om het zo maar te zeggen, maar wel kunnen we proberen de effecten, de ervaring en het appèl dat ervan uitging te beschrijven. Die ervaring moet overrompelend, verwarrend, onthutsend en vooral ook ontzagwekkend zijn geweest. Dat verklaart waarom de opstandings- en verschijningsverhalen zich zo lastig exact laten vastleggen: de ervaring ging aan de reflectie vooraf. Dat heeft de eerste christenen er in ieder geval niet van weerhouden om de wereld in te trekken en overal te verkondigen dat Jezus de verhoogde Heer is die de dood heeft overwonnen en de hoogste positie naast God heeft gekregen.

Verantwoording

Dit thema is afkomstig uit de Bijbel met bijdragen over geloof, cultuur en wetenschap, ook bekend als de Wetenschapsbijbel

Gerelateerde Bijbelgedeelten

Marcus 16
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.21.9
Volg ons