Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

3/21 - Ik wil gaan

Dus riepen ze Rebekka en vroegen haar: ‘Wil je met deze man meegaan?’ ‘Ja,’ antwoordde ze. - Genesis 24:58

Bijbeltekst(en)

15Hij was nog niet uitgesproken of Rebekka kwam de stad uit, de dochter van Betuel, die de zoon was van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nachor, met haar kruik op haar schouder. 16Ze was een heel knap meisje, een maagd nog, er had nog nooit een man met haar geslapen. Ze liep naar beneden, naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer terug. 17De knecht snelde haar tegemoet en vroeg haar: ‘Mag ik alsjeblieft wat water drinken uit je kruik?’ 18‘Ga uw gang, heer,’ antwoordde ze, en dadelijk liet ze de kruik op haar hand glijden en gaf hem te drinken. 19Toen hij genoeg gedronken had, zei ze: ‘Ik zal ook voor uw kamelen putten tot ze genoeg hebben gehad.’ 20En meteen goot ze haar kruik leeg in de drinkbak en haastte ze zich terug naar de put om opnieuw water te halen. Ze putte water voor al zijn kamelen. 21Zwijgend sloeg de man haar gade, terwijl hij zich afvroeg of de HEER hem had doen slagen of niet. 22Toen de kamelen genoeg gedronken hadden, haalde hij een gouden neusring tevoorschijn die een halve sjekel woog, en twee gouden armbanden, die tien sjekel zwaar waren. 23‘Mag ik je vragen van wie je een dochter bent?’ vroeg hij. ‘En is er misschien in je vaders huis zo veel ruimte dat wij daar kunnen overnachten?’ 24‘Ik ben een dochter van Betuel, de zoon van Milka en Nachor,’ antwoordde ze. 25‘En jazeker, we hebben stro en meer dan genoeg voer, en ook plaats om te overnachten.’ 26Toen viel de man op zijn knieën, boog zich neer voor de HEER 27en zei: ‘Geprezen zij de HEER, de God van mijn meester Abraham, die mijn meester zijn genegenheid en trouw niet heeft onthouden. De HEER heeft mij naar het huis van mijn meesters verwanten gebracht.’ 28Het meisje rende naar huis, naar haar moeder, en vertelde wat er was gebeurd.

Genesis 24:15-28NBV21Open in de Bijbel

Op het moment waarop Rebekka naar huis rent, naar haar moeder, weet ze nog niet dat er een huwelijk in het verschiet ligt. Ze weet alleen dat ze een man heeft ontmoet die door een duidelijk rijke meester gezonden is. Dat vertellen haar de tien kamelen en de dure sieraden die ze heeft gekregen. Haar broer Laban heeft het ook gauw in de gaten! Hij verwacht duidelijk dat er méér in zit, wie weet ook voor hemzelf …

Laban gaat ervan uit dat iemand die zo rijk is, gezegend is door God, ook al kent hij Abraham niet, laat staan dat hij weet van Gods belofte om hem te zegenen.

Uitvoerig vertelt Eliëzer het verhaal dat de lezer inmiddels al kent. Het gaat tenslotte om de toekomst van Abrahams geslacht en de vervulling van Gods beloften! Deze toekomst hangt aan een zijden draadje doordat Isaak nog ongetrouwd is en geen kinderen heeft.

De volgende morgen wil de knecht vertrekken; zijn missie is geslaagd. Aan Rebekka wordt gevraagd: ‘Wil je met deze man meegaan?’ Haar antwoord is, letterlijk vertaald: ‘Ik wil gaan.’ In het Hebreeuws keert het woord ‘gaan’ telkens terug in dit hoofdstuk. Dit ‘gaan’ is belangrijk: als de knecht niet was gegaan in opdracht van Abraham, was er geen vrouw uit diens familie gekomen. Als Rebekka had geweigerd om te gaan, was de missie alsnog mislukt. Maar net als Abraham in Genesis 12 gáát zij op weg, een onbekende toekomst tegemoet. En dat blijkt – net als in Abrahams leven – Gods weg te zijn.

Hoe kies jij of je wel of niet ‘gaat’ wanneer iemand iets aan je vraagt wat buiten je comfortzone ligt?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.21.9
Volg ons