Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Context en aantekeningen bij Jakobus 4:11-17

Hier vind je informatie over de context van Jakobus 4:11-17 en aantekeningen bij de tekst.

De Brief van Jakobus

Zie voor meer informatie over o.a. de schrijver, datering en algemene inhoud van de Brief van Jakobus het eerste item uit deze serie.

Plek van deze passage in het geheel

1:1-27begin van de brief, de toon is bemoedigend, de noodzaak tot bidden wordt benadrukt en de thema’s die in het hoofddeel van de brief besproken zullen worden, worden geïntroduceerd. Het hoofdthema is dat geloven en doen hand in hand gaan. Die gelovige praktijk wordt concreet uitgewerkt in de onderwerpen: te letten op je spreken, barmhartig om te zien naar je medemens, te leven volgens Gods wijsheid en alert te zijn op de risico’s van rijkdom.
2:1-26uitwerking van het thema: ‘barmhartig omzien naar je medemens’.
3:1-12uitwerking van het thema ‘let op je spreken’.
3:13-4:17uitwerking van het thema ‘leef volgens Gods wijsheid’.
5:1-6uitwerking van het thema ‘rijkdom’.
5:7-19afronding van de brief met bemoediging en raad om standvastig te zijn, geen eden te zweren, voor elkaar te bidden en elkaar van dwaalsporen weer terug bij de waarheid te brengen.
hand-swipe-horizontalSwipe om alle gegevens te zien

In de eerste helft van hoofdstuk 3 werkt Jakobus de gedachte uit dat wie God wil dienen goed op moet letten op wat hij of zij zegt (3:1-12, vgl. 1:19, 26 en 4:11-12). Jakobus is zich zeer bewust van wat woorden uit kunnen richten, zowel ten goede als ten kwade.

Daarna gaat hij in op de ruzies en onderlinge conflicten die de gemeenschappen teisteren. De onderlinge haat en nijd, concurrentie en afgunst staan de vrede en eenheid in de gemeenschap in de weg. Jakobus legt bloot dat achter dit gedrag een botsing van twee typen ‘wijsheid’ schuilgaat: de aardse wijsheid, egoïstisch en zelfgericht, tegenover de wijsheid van God. Die twee gaan niet samen: vriendschap met de wereld betekent vijandschap met God, en andersom.

In onze passage, 4:11-17, werkt Jakobus die gedachte verder uit met een paar alledaagse voorbeelden. Kwaadspreken, roddelen en negatief oordelen zijn aan de orde van de dag. Wie doet dat niet? Hetzelfde geldt voor alle plannenmakerij en ambities. Maar Jakobus laat fijntjes zien dat zulke ‘gewone dingen’ op gespannen voet staan met ons leven met God. Want wie anderen veroordeelt of zijn eigen leven uitstippelt plaatst zichzelf in feite op Gods positie. Zo toont Jakobus het verschil tussen een leven met God en een leven zonder God.

Het is geen toeval dat in het tweede voorbeeld de plannenmaker een handelaar is die rijk wil worden. Daarmee maakt Jakobus een bruggetje naar het onderwerp dat hij in hoofdstuk 5 zal uitdiepen: het problematisch gedrag waar rijkdom toe kan leiden.

Aantekeningen

Bij vers 11:

  • spreek geen kwaad: je kunt hier aan van alles denken wat de ander schaadt, zoals roddelen, achter iemands rug om zijn fouten of zwakheden uitvergroten, leugens over iemand vertellen, etc. (vgl. Ps. 50:19-20; 2 Kor. 12:20; 1 Petr. 2:1).

  • een ander veroordeelt: bedoeld is een vorm van veroordelen waarbij je je boven de ander plaats. Ook Jezus waarschuwt daarvoor (Mat. 7:1-5; Luc. 6:37-42), hetzelfde geldt voor Paulus (Rom. 2:1; 14:4, 10-13; 1 Kor. 4:4; 5:12-13). In de tekst worden ‘kwaadspreken’ en ‘veroordelen’ op één lijn gezet: het gaat om gedrag waarbij je de ander neerhaalt ten gunste van jezelf. Dit is principieel iets anders dan elkaar aanspreken op verkeerd gedrag, want dat moeten christenen juist wél doen (Jak. 5:19-20).

  • Wie kwaadspreekt … veroordeelt de wet: wat is hier de gedachtegang? In Jakobus 2:8 wordt het gebod ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ (= Lev. 19:18) het koninklijke gebod genoemd. Wie dat volbrengt, doet het goede. Als de wet draait om naastenliefde, dan gaat alles waarmee we onze naaste schade toebrengen in tegen de wet. Volgens die redenering is een aanval op je naaste ten diepste een aanval op de wet. In Leviticus 19:16-17 gaat het specifiek ook over kwaadspreken, laster, verwijt en wrok: haatdragendheid en het bewust neerhalen van de ander gaat lijnrecht in tegen de wet.

  • rechter: De taak van de mens is om de wet te gehoorzamen en te volgen en dat betekent hier: niet veroordelen en niet kwaadspreken om de ander omlaag te halen ten gunste van jezelf. Wie dat wel doet, stelt zichzelf boven de wet en claimt daarmee de positie die alleen God toekomt.

Bij vers 12:

  • één wetgever en rechter: God alleen heeft het recht om te oordelen, omdat God de wet heeft gegeven.

  • Hij die bij machte is te redden of in het verderf te storten: deze omschrijving geeft niet alleen aan hoever Gods macht reikt (vgl. Mat. 10:28; Hebr. 5:7), maar laat ook zien wat er op het spel staat bij deze wet. Terwijl de wijsheid van deze wereld met zijn eigen wetten en regels alleen gericht is op het hier en nu, is Gods wijsheid en Gods wet gericht op het leven in een allesomvattende zin. In Jakobus 5:9 wordt het thema van 4:11-12 hernomen. De rechter, de Heer, verwijst daar wellicht naar Jezus.

  • wie bent u: een mens staat principieel onder Gods wet, die is gericht op het welzijn van de naaste.

Bij vers 13:

  • vandaag of morgen gaan wij …: in dit vers wordt een fictief persoon opgevoerd die vol is van zijn eigen plannen. Zowel qua inhoud als qua stijl lijkt het op de voornemens van de rijke grondbezitter in de gelijkenis van Jezus in Lucas 12:17-19. Bezien vanuit wat in deze wereld als vanzelfsprekend geldt, klinken voornemens als in 4:13 volkomen normaal.

  • handeldrijven en geld verdienen: in 1:11 wordt al gesproken over de rijke die vergaat (zoals het gras of als een bloem, zie ook aantekening bij vers 14) terwijl hij bezig is met zijn zaken. Dat wijst erop dat we in Jakobus 4:11-16 twee lagen kunnen onderscheiden. Ten eerste gaat het over alle menselijke plannen die met God geen rekening houden. Maar ten tweede, op een dieper niveau is het geen toeval dat hier juist een handelaar die rijk hoopt te worden als illustratie wordt genomen, net zoals ook in Lucas 12:17-19 een rijk persoon model staat voor iemand die zich bij zijn plannen niets van God aantrekt. De achterliggende logica is, dat geld de basis is voor het wereldse systeem dat zich afzet tegen God en mensen de illusie geeft dat hun leven maakbaar is (vgl. Mat. 6:24).

Bij vers 14:

  • U weet niet eens ...: hier blijkt weer hoe Jakobus put uit de wijsheidstraditie (bijv. Spr. 27:1; Pred. 10:14). Gezien zijn kleinheid en nietigheid doet de mens er wijs aan om geen voorschot te nemen op wat komt. Maar Jakobus roept hier niet alleen maar op tot bescheidenheid. Want op een bepaalde manier weet hij juist wél wat de toekomst zal brengen: Gods oordeel. In dat licht is het niet alleen belangrijk om als mens je eigen nietigheid in te zien, maar ook en vooral om je leven in dienst van Gods wijsheid te stellen en te doen wat God wil, in plaats van de wereldse wijsheid te volgen en te doen wat mensen willen.

  • damp: de nietigheid en vluchtigheid van de mens wordt in de Bijbel vaak met beelden uitgedrukt. Het beeld van een kortstondige damp of een synoniem ervan (rook, mist, nevel, wolken, etc.) komt in de Bijbel geregeld voor (vgl. Job 7:7, 9; Ps. 37:20; 39:6, 12; 102:4; 103:15-16; Pred. 12:7; Hos. 13:3; Wijsh. 2:2-5).

Bij vers 15:

  • Als de Heer het wil: de frase ‘als God het wil’ (Deo volente) was een bekende uitdrukking in de oudheid, gebruikt als voorbehoud bij voorgenomen plannen. In het Nieuwe Testament komt dit verschillende keren terug (Hand. 18:21; 1 Kor. 4:19; 16:7; Hebr. 6:3). In Handelingen 18:21 werd het in de Latijnse vertaling (Vulgaat) met Deo volente vertaald. Die uitdrukking wordt nog steeds gebruikt. Jakobus formuleert het net iets anders: ‘als de Heer het wil’. In sommige kringen wordt ‘onder het voorbehoud van Jakobus’ (sub conditione Jacobi) gebruikt als synoniem voor Deo volente. Hiermee erkent men dat alle voorgenomen plannen afhankelijk zijn van Gods instemming. In de Talmoedische literatuur komt de formulering ‘zo God het wil’ slechts zelden voor (soms wel de variant ‘met de hulp van de hemel’), maar in de Joodse omgangstaal werd deze uitdrukking steeds gangbaarder (iem jirtse Hasjeem, ‘Als God [lett. ‘de Naam’] het wil’). De onder moslims gebruikte Arabische uitdrukking Insjallah heeft dezelfde betekenis: Als God het wil.

Bij vers 16:

  • trots: trots of hoogmoed is in de Bijbel een veelvoorkomend motief. Het gaat vrijwel altijd over mensen die het verschil tussen God en mens uit het oog zijn verloren en zichzelf overschatten. In verschillende teksten wordt een verband gelegd tussen hoogmoed of arrogantie enerzijds en rijkdom anderzijds (zie Ps. 49:6-7; 73:4-7; Spr. 11:1-4; 16:18-19; Ezech. 28:5; Wijsh. 5:8-9; Sir. 13:20).

  • Dat soort trots: trots die berust op zelfoverschatting is misplaatst en verkeerd. Ook dat is een bekende Bijbelse gedachte. In 1 Korintiërs 1:31 citeert Paulus Jeremia 9:23-24, waarin wordt gesteld dat men zich alleen op God mag beroemen.

Bij vers 17:

  • Als iemand ... : Jakobus benadrukt in heel zijn brief dat je overtuiging, je spreken en je daden met elkaar in overeenstemming moeten zijn. Als iemand de juiste overtuiging is toegedaan maar er niet naar leeft, dan is dat des te erger (vgl. voor die gedachte Luc. 12:47-48). Vergelijk ook de rabbijnse uitspraak ‘Voor iemand die [de Thora] leert maar niet in praktijk brengt, was het beter geweest als hij doodgeboren was geweest!’. Paulus brengt in Romeinen 7:18-21 naar voren dat een mens het goede wel kan kennen en willen, maar uit zichzelf niet bij machte is om het ook in praktijk te brengen. Elders doet Paulus echter de oproep ‘Laten we het goede doen, zonder op te geven’ (Gal. 6:9-10). Het een sluit het ander niet uit. Ook bij Jakobus betekent ‘het goede doen’ een leven in het licht van Gods nabijheid, geleid door Gods wijsheid (waar Paulus spreekt van Gods Geest, spreekt Jakobus van ‘de wijsheid van boven’).

  • dan zondigt hij: je kunt dit afsluitende vers lezen als Jakobus’ definitie van zondigen: weten wat goed is om te doen en het dan tóch niet doen.

Achtergrondinformatie

Toelichting bij kernwoorden en begrippen

Verdieping bij thema’s

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.21.9
Volg ons