Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Context en aantekeningen bij Jakobus 2:1-19

Hier vind je informatie over de context van Jakobus 2:1-19 en aantekeningen bij de tekst.

De Brief van Jakobus

Zie voor meer informatie over o.a. de schrijver, datering en algemene inhoud van de Brief van Jakobus de toelichting bij het eerste item uit deze serie.

Plek van deze passage in het geheel

De brief als geheel is als volgt opgebouwd:

1:1-27begin van de brief, de toon is bemoedigend, de noodzaak tot bidden wordt benadrukt en de thema’s die in het hoofddeel van de brief besproken zullen worden, worden geïntroduceerd. Het hoofdthema is dat geloven en doen hand in hand gaan. Die gelovige praktijk wordt concreet uitgewerkt in de onderwerpen: te letten op je spreken, barmhartig om te zien naar je medemens, te leven volgens Gods wijsheid en alert te zijn op de risico’s van rijkdom.
2:1-26uitwerking van het thema: ‘barmhartig omzien naar je medemens’.
3:1-12uitwerking van het thema ‘let op je spreken’.
3:13-4:17uitwerking van het thema ‘leef volgens Gods wijsheid’.
5:1-6uitwerking van het thema ‘rijkdom’.
5:7-19afronding van de brief met bemoediging en raad om standvastig te zijn, geen eden te zweren, voor elkaar te bidden en elkaar van dwaalsporen weer terug bij de waarheid te brengen.
hand-swipe-horizontalSwipe om alle gegevens te zien

In Jakobus 2:1-19 werkt de schrijver de gedachte uit dat geloven in Christus hand in hand gaat met het in praktijk brengen van Jezus’ leer. In het voorgaande deel (1:19-27) heeft hij deze gedachte geïntroduceerd. Nu werkt hij dit verder uit aan de hand van het voorbeeld hoe er in de gemeente omgegaan wordt met broeders en zusters die arm zijn, een onderwerp dat hij in het voorgaande deel (1:27) en aan het begin van zijn brief al benoemd heeft (1:9-11).

Aan het eind van onze passage, in vers 18, gaat Jakobus in op een mogelijke tegenwerping tegen zijn betoog: ‘Iemand zou kunnen zeggen: “De een gelooft, de ander doet.”’ De schrijver gaat uiteraard niet in die tegenwerping mee: geloof dat niet doorwerkt in de praktijk, is dood. In het vervolg (2:19-26) laat hij aan de hand van voorbeelden van de demonen, Abraham en Rachab zien wat het verschil is tussen levend en dood geloof, en waaraan je levend geloof herkent.

Eerst noemt hij de demonen, die ‘geloven’ in God, zou je kunnen zeggen, maar hun geloof is hol en leeg. Het enige dat hun geloof uitwerkt is dat ze sidderen, bang zijn voor God. Daartegenover staan Abraham en Rachab. Zij lieten hun pistis, hun geloof/trouw in de praktijk zien door wat ze deden. Het punt van Jakobus is niet dat geloof zonder daden onaf is. Zijn punt is dat geloof zonder daden onecht is.

Na deze argumentatie vervolgt Jakobus in hoofdstuk 3 zijn betoog door uitgebreid in te gaan op het punt hoe in het beheersen van je tong de kwaliteit van je geloof zich in daden uit.

Aantekeningen

Bij vers 1:

  • mensen voortrekt: deze onpartijdigheid is een eigenschap van God zelf (vgl. Deut. 10:17), die als eis aan de mensen, aan rechters en bestuurders in het bijzonder, wordt opgelegd (vgl. Deut. 16:18-19; Job 34:19; zie ook Hand. 10:34 en Gal. 2:6). Die onpartijdigheid betekent evengoed dat armen niet moeten worden voorgetrokken op de rijken (zie Ex. 23:3 en Lev. 19:15).

  • Het Grieks gebruikt hier een term, prosōpolēmpsia, die duidt op voortrekkerij, vooringenomenheid, partijdigheid. De NBV koos voor ‘mensen op hun uiterlijk beoordelen’, maar dat is net niet waar het hier om gaat. De tegenstelling is niet tussen oordelen op basis van het uiterlijk versus het innerlijk, maar om het voortrekken van bepaalde mensen op grond van uiterlijkheden – in dit geval, zie vers 2 – rijkdom.

  • onze glorierijke Heer: in de Jakobusbrief wordt niet uitgebreid over Jezus geschreven. Belangrijk voor Jakobus is dat Jezus Christus de Heer is (1:1; 5:7-8) en dat Hij zeker spoedig zal komen (5:8). Op andere plekken in zijn brief spreekt Jakobus over God als Heer (3:9; 4:10; 4:15; 5:4 en 5:10-11).

  • In de uitleggeschiedenis zijn deze verzen betrokken op het verhuren van speciale plekken in de kerk voor de rijken. Het is mogelijk dat deze kwestie inderdaad ook speelde in de gemeentes waar Jakobus zich aan richt (zie ook aantekening bij vers 3).

Bij vers 2:

  • samenkomst: in het Grieks sunagōgē. De NBV21 vertaalt dit woord in de regel met ‘synagoge’ als het gaat om een gemeenschap van mensen die Jezus niet volgen, en met ‘samenkomst’ als het wel betrekking heeft op gelovigen in Jezus. Wij denken bij dit woord misschien vooral aan een gebedshuis, maar voor Jakobus is dit een plaats met meer gemeenschapsfuncties, zoals studie en het lezen van de Thora, maar ook gerechtelijke hoorzittingen en het uitspreken van vonnissen (vgl. 2 Kor. 11:24). Voor deze plaats wordt ook wel het Griekse woord proseuchē gebruikt (zie Hand. 16:13). In Jakobus 5:14 wordt over de ‘gemeente’ (ekklēsia) gesproken.

Bij vers 3:

  • blijf maar staan: uit archeologische vondsten zijn gebouwen bekend waarbij de muren voorzien zijn van zitbanken en de vloer voor staanplaatsen bedoeld was. De zitbanken konden bestemd zijn als ereplaatsen voor meer welgestelde mensen (vgl. Mat. 23:6).

Bij vers 4:

  • door verkeerde overwegingen bepaald?: de houding van de mensen ten opzichte van elkaar moet niet door uiterlijkheden en sociale status worden bepaald. Het zou een weerspiegeling moeten zijn van de fundamentele gelijkheid van iedereen in Christus en voor God (Gal. 3:28; Ef. 6:9).

  • In de NBV begon dit vers met ‘maakt u dan geen ongeoorloofd onderscheid’. Dat vonden sommige critici te veel. Want het Grieks zegt, letterlijk vertaald: ‘maakt u dan geen onderscheid onder u’. De toevoeging ‘ongeoorloofd’ was een beetje zwaar aangezet. Toch moet het duidelijk zijn dat het gaat om onderscheid maken tussen beter en slechter. We hebben daar een Nederlandse uitdrukking voor die hier perfect past en in deze context een goed equivalent van het Grieks oplevert: ‘meet u dan niet met twee maten?’

Bij vers 5:

  • naar wereldse maatstaven arm: het thema van vrome armen en onderdrukkende rijken vinden we ook in de Psalmen (zie bijvoorbeeld Ps. 37:11, vgl. Mat. 5:3-5) en in Jezus’ verkondiging van het komende Koninkrijk van God (vergelijk Luc. 4:18; 6:21; 12:21, zie ook Jak. 1:9-11 en 1 Kor. 1:26).

  • rijk te zijn door het geloof: deze formulering kan ook vertaald worden als ‘een groot geloof hebben’.

  • De spits van dit vers is dat Gods gerechtigheid ingaat tegen bestaande onrechtvaardige systemen, waarbij rijken vanzelfsprekend een voorkeursbehandeling krijgen.

Bij vers 6:

  • voor de rechter: het kan hier zowel gaan om religieuze (vgl. Mat. 10:17-18; Marc. 13:11; Luc. 21:12; Hand. 4:3; 6:12; 12:3; 16:19-20; 18:12; Op. 2:9) als seculiere geschillen (1 Kor. 6:1-6) waarover een rechterlijk oordeel gevraagd wordt.

Bij vers 7:

  • de voortreffelijke naam die over u is uitgesproken: deze uitdrukking verwijst naar de doop (vergelijk Hand. 2:38; 10:48).

  • door het slijk halen: wanneer de voorschriften van de wet niet worden gevolgd wordt Gods naam ontwijd (Lev. 22:32) en volgens Jakobus zijn het juist de rijken die door hun onrechtvaardig handelen tegen Gods gebod ingaan (zie Jak. 5:1-6).

Bij vers 8:

  • Heb uw naaste lief: citaat uit Leviticus 19:18. Dit liefdesgebod werd wel gezien als de samenvatting van de tweede helft van de tien geboden. Deuteronomium 6:4, waar Jakobus in 2:19 naar verwijst, werd gezien als de samenvatting van de eerste helft. Samenhangend representeren ze de hele wet (vgl. hoe Jezus spreekt over het grote gebod, bv. in Mat. 22:36-40).

  • koninklijk gebod: ‘koninklijk’ betekent hier verheven, uitnemend; een andere mogelijke vertaling is ‘de wet die alle andere wetten te boven gaat’. Dit liefdesgebod staat niet tegenover de andere geboden, maar wordt in de Joodse traditie en door Jezus en zijn volgelingen gezien als de grondgedachte van Gods wet (zie Mat. 19:19; 22:39; Marc. 12:31; Luc. 10:27; Rom. 13:9; Gal. 5:14). Jakobus spoort zijn lezers aan om heel de wet in het licht van dit liefdesgebod te lezen.

Bij vers 9-10:

  • overtreders: zie Leviticus 19:15.

  • de hele wet: vergelijk Jakobus 1:26. In de Bergrede (Mat. 5:17-19) geeft Jezus aan dat Gods wet een samenhangend geheel is waar niet in geschrapt kan worden (vgl. Lev. 19:37; Deut. 4:2; 27:26, geciteerd in Gal. 3:10; Joz. 23:6). Waar Jezus aangeeft dat het grote gebod vervullen gelijk staat aan heel de wet vervullen (Mat. 22:40), lijkt Jakobus die redenering omgekeerd toe te passen: wie de naastenliefde negeert, gaat tegen heel de wet in.

  • Het is goed mogelijk dat Jakobus behoorde tot een stroming in het vroege christendom die vast wilde houden aan alle concrete bepalingen van de Joodse wet. Maar zoals uit vers 13 blijkt, verwacht Jakobus niet dat mensen in staat zijn om alle geboden van de wet volmaakt te houden. Hij is zich ervan bewust dat het niet eenvoudig is om naar Gods geboden te leven. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de inleiding van zijn brief, wanneer hij schrijft over beproeving (1:12-15), en uit hoofdstuk 3, waar hij schrijft dat we allemaal weleens struikelen (3:2). Wat Jakobus wel verwacht is dat mensen alle geboden serieus nemen. Serieus nemen wil zeggen: dat mensen hun handelen steeds toetsen aan die geboden, open staan voor de veroordeling door de wet, met als gevolg dat ze berouw tonen en hun handelen aanpassen (vgl. 5:15-16 en 19-20). In de Joodse filosofische traditie werd er een nauwe verwantschap gezien tussen deze be- en veroordeling door de wet en de rol van het geweten, dat in het Grieks ook wel elenchos genoemd wordt (vgl. Rom. 2:14-15, zij het dat Paulus in het Grieks daar sunoida voor geweten gebruikt). Jakobus gebruikt het van elenchos afgeleide werkwoord elenchomai voor de veroordeling door de wet in vers 9.

Bij vers 11:

  • die gezegd heeft: geciteerd naar Exodus 20:13-14; Deuteronomium 5:17-18. Met deze formulering benadrukt Jakobus dat het in deze geboden gaat om te doen wat God wil.

Bij vers 12:

  • de wet, die vrijheid brengt: in Jakobus 1:25 vinden we dezelfde uitdrukking (zie evt. de aantekening bij Jak. 1:25). Het doel van de wet is de bevrijding van de mensheid uit de heerschappij van kwade verleidingen.

Bij vers 13:

  • onbarmhartig … bewezen: vergelijk uitspraken van Jezus in de Bergrede (Mat. 5:7; 7:1-5) en de gelijkenis in Matteüs 18:21-35 (vgl. Luc. 7:36-49).

  • barmhartigheid: barmhartigheid en naastenliefde gaan in het Oude Testament hand in hand (zie Ps. 25:6; 40:11; 103:4). Die traditie wordt in het Nieuwe Testament voortgezet. Jezus beantwoordt de vraag ‘Wie is mijn naaste?’ met ‘Diegene die barmhartigheid bewezen heeft’ (Luc. 10:25-37; zie ook Mat. 25:34-40 en Ef. 2:4).

  • overwint het oordeel: er is vergeving van zonden mogelijk, vergelijk Jakobus 5:15 en 19-20. Jakobus verwijst naar het Laatste Oordeel (5:9), want de zin staat in de toekomende tijd. Tegelijkertijd blijkt uit het slot van zijn brief dat het hem ook te doen is dat zijn lezers nu tot inkeer te komen.

Bij vers 14:

  • handelt er niet naar: zie Jakobus 1:22-25; vergelijk de prediking van Johannes de Doper (Luc. 3:7-14) en die van Jezus (Mat. 7:15-27). De profeten in het Oude Testament (Jes. 1:11-15; Jer. 7:21-28; Amos 5:21-24; Hos. 6:6) wijzen op vergelijkbare manier schijnvroomheid af.

  • zou … redden: het ‘redden’ verwijst naar het Laatste Oordeel (5:9). Jakobus stelt hier een retorische vraag aan een denkbeeldige tegenstander, waarop het antwoord ‘nee’ is. Het debat dat Jakobus voert gaat niet om de tegenstelling tussen geloven óf doen, maar om de tegenstelling tussen geloof mét daarmee overeenstemmende daden versus geloof zónder dergelijke daden.

  • dat geloof: ‘geloof’ (pistis) verwijst in Jakobus 2:19 naar de erkenning dat God de enige is (vgl. Deut. 6:4). Zie voor een bespreking van de rol van pistis in de Brief van Jakobus dit verdiepend artikel, en in de brieven van Paulus dit artikel.

Bij vers 15-16:

  • Vergelijk Jesaja 58:7, Spreuken 3:27-28, 1 Johannes 3:17 (zie ook de verwijzingen bij vers 14). Opnieuw wil Jakobus laten zien dat wat je doet iets zegt over je geloof, en benadrukt hij dat die twee met elkaar moeten rijmen. Geloof is levend wanneer het zich weerspiegelt in daden, zo niet dan is het dood en eigenlijk het woord geloof niet waard (zie ook aantekening bij vers 17). Jakobus illustreert die samenhang treffend door een voorbeeld dat in plaats van naastenliefde een vorm van wreedheid laat zien.

  • ‘Het ga je goed!’: letterlijk ‘Ga heen in vrede!’ Vrede (eirènè) heeft in het Grieks dezelfde connotatie als het Hebreeuwse sjalom. Het doelt op compleet welzijn. Daarmee is deze wens te meer ironisch en wreed. Het is zelfs als een zegenwens te verstaan en dan wordt het iets als: ‘God moge je helpen, want ík zal dat zeker niet doen.’

Bij vers 17:

  • als het zich … is het dood: andere vertaling: ‘als het zich niet in daden omzet, is het dood omdat het zichzelf niet meer is’. Jakobus betoogt: geloof dat zich niet uit in daden is in feite geen geloof (zie aantekening bij vers 14, vgl. Mat. 21:28-31).

Bij vers 18:

  • de een gelooft, de ander doet: het Grieks van dit vers is complex, het wordt niet geheel duidelijk wie de ‘ik’ en de ‘jij’ zijn. Tegelijk is de het punt dat Jakobus wil maken helder: geloven en werken zijn wel conceptueel van elkaar te scheiden, maar in de concrete praktijk niet. Deze passage kan worden gezien als een correctie voor degenen die van mening waren dat Paulus (Rom. 4:5-6) het belang van daden had afgewezen. Het is t.a.v. Jakobus’ verhouding tot Paulus goed te bedenken dat Jakobus vooral zijn eigen punt naar voren wil brengen. Retorisch zet hij de tegenstellingen extra aan. Zie voor meer toelichting op hoe Jakobus en Paulus zich tot elkaar verhouden dit verdiepend artikel.

Bij vers 19:

  • u gelooft: Jakobus gebruikt hier een beproefde retorisch stijlfiguur, namelijk om een standpunt in de mond te leggen van een denkbeeldige tegenstander.

  • dat God de enige is: zie Deuteronomium 6:4. Ook in Deuteronomium wordt de verbinding tussen de erkenning dat God de enige is en het volgen van Gods voorschriften gelegd (zie Deut. 6:5-9).

  • de demonen: vergelijk Marcus 1:24; 5:7; Handelingen 16:17; 19:15. Achterliggend speelt voor Jakobus een verschil mee tussen de manier waarop mensen en waarop demonen geloven. De demonen kúnnen zogezegd niet anders dan de realiteit van God erkennen, omdat ze zelf deel uitmaken van de geestelijke werkelijkheid. Ook op die manier is dit in wezen geen echt geloof.

Achtergrondinformatie

Toelichting bij kernwoorden en begrippen