Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Context en aantekeningen bij Jakobus 1:16-27

Hier vind je informatie over de context van Jakobus 1:16-27 en aantekeningen bij de tekst.

De Brief van Jakobus

Auteur, genre en datering

Het boek Jakobus heeft enkele kenmerken van een brief, maar leest meer als een ethische verhandeling. In de aanhef wordt Jakobus als schrijver genoemd. Het is niet precies bekend wie dit was. Het kan gaan om een leerling van Jezus, één van zijn broers, of iemand die later in Jezus is gaan geloven.

Jakobus schrijft niet voor één gemeente (zoals Paulus doet): zijn lessen zijn bedoeld voor iedereen die in Jezus gelooft. Een aantal andere brieven in het Nieuwe Testament zijn op vergelijkbare manier geschreven voor christenen in het algemeen: 1, 2 en 3 Johannes, 1 en 2 Petrus en Judas. Deze teksten worden daarom ‘katholieke (=algemene) brieven’ genoemd.

De brief van Jakobus wordt meestal gedateerd in het einde van de eerste eeuw. Waarschijnlijk verwerkte de schrijver in zijn brief een al bestaande verzameling van teksten over uiteenlopende onderwerpen. Het is daardoor niet altijd makkelijk om de samenhang in de tekst te zien.

Hoewel het boek geen brief is zoals Paulus die schreef en de auteur niet precies bekend is, blijven wij, in verbinding met de traditie, hier spreken over de brief van Jakobus.

Inhoud

Het hoofdthema van de brief is de oproep om werk te maken van een echt christelijk leven: christelijk geloof uit zich per definitie in daden. Jakobus noemt als concrete uitwerking thema’s die veel voorkomen in de Wijsheidsliteratuur van het Oude Testament, met name zelfbeheersing, vooral in het spreken, en de zorg voor kwetsbare medemensen.

| Jakobus en Jezus

Inhoudelijk is er veel verwantschap met Jezus’ leer, met name de Bergrede , zoals de verbinding tussen geloven en doen (zie Jak. 1:22; 2:17, 26 en Mat. 7:16-21, vgl. Joh. 13:15-17 en 1 Joh. 2:3-11), het letten op je spreken (zie Jak. 1:19-20, 26; 3:1-12; 4:11 en bijv. Mat. 5:21-22), het elkaar niet veroordelen (zie Jak. 4:12 en Mat. 7:1-5) en het niet zweren van eden (zie Jak. 5:12 en bijv. Mat. 5:33-37). Verwantschap is er ook in de nadruk op het grote gebod (zie Jak. 2:8 en bijv. Mat. 22:36-40; Joh. 15:12; Rom. 13:10). Een laatste, maar misschien wel belangrijkste, verwantschap met Jezus’ leer is diens nadruk op verbondenheid met de armen (zie Jak. 2:15-16 en bijv. Luc. 6:20-21).

| Jakobus en Paulus

In de traditie is Jakobus vaak gekenschetst als iemand die afstand wil nemen van Paulus en diens nadruk op de rechtvaardiging door geloof in Christus. Maar in plaats van Jakobus tegenover Paulus te plaatsen, doen we de In de traditie is Jakobus vaak gekenschetst als iemand die afstand wil nemen van Paulus en diens nadruk op de rechtvaardiging door geloof in Christus. Maar in plaats van Jakobus tegenover Paulus te plaatsen, doen we de inhoud meer recht door te veronderstellen dat Jakobus zich richt tegen een verkeerde uitleg van Paulus . Paulus betoogt in Romeinen en Galaten dat niet-Joden volwaardig christen zijn zónder de Thora na te leven. Het naleven van de Joodse wet is geen vereiste om voor God rechtvaardig te zijn. Dat is alleen ‘geloof’ (d.w.z je toevertrouwen aan Christus en Hem volgen ). Dit betoog van Paulus werd door sommigen verdraaid tot de visie dat christenen boven de wet staan en dus een wetteloos, niet aan regels gebonden, leven mogen leiden.

Paulus zelf verzet zich al tegen deze verdraaiing van zijn boodschap (zie bijv. Rom. 3:8 en 6:15-18). Ook voor Paulus staat geloof niet los van de praktijk. Jakobus richt zich ook niet op specifieke Joodse praktijken zoals de spijswetten of de besnijdenis, maar meer op een universele moraal gefundeerd op de Thora. Ook daarin wijkt hij niet ver van Paulus af (zie bijv. Rom. 13:8-10).

| Meer over ‘geloof’ en ‘werken’

Er is sowieso meer te zeggen over de betekenisnuances van het Griekse pistis, wat wij vertalen met ‘geloof’ en hoe zich dit verhoudt tot ‘daden’. Je leest hier meer over in deze artikelen:

Opbouw van de brief

Hoewel de brief geschreven is in een mooie stijl, is de structuur niet altijd even helder. Mogelijk heeft dit te maken met hoe de brief ontstaan is. Qua opbouw is de brief meer verwant met de Wijsheidsliteratuur, waarbij thema’s op verschillende manieren terugkeren, in plaats van brieven waarin een doorlopende betooglijn opgebouwd wordt. Er is een globale indeling en opbouw in de tekst aanwezig, waarbij een aantal thema’s terugkeren.

1:1-27begin van de brief, de toon is bemoedigend, de noodzaak tot bidden wordt benadrukt en de thema’s die in het hoofddeel van de brief besproken zullen worden, worden geïntroduceerd. Het hoofdthema is dat geloven en doen hand in hand gaan. Die gelovige praktijk wordt concreet uitgewerkt in de onderwerpen: te letten op je spreken, barmhartig om te zien naar je medemens, te leven volgens Gods wijsheid en alert te zijn op de risico’s van rijkdom.
2:1-26uitwerking van het thema ‘barmhartig omzien naar je medemens’.
3:1-12uitwerking van het thema ‘let op je spreken’.
3:13-4:17uitwerking van het thema ‘leef volgens Gods wijsheid’.
5:1-6uitwerking van het thema ‘rijkdom’.
5:7-19afronding van de brief met bemoediging en raad om standvastig te zijn, geen eden te zweren, voor elkaar te bidden en elkaar van dwaalsporen weer terug bij de waarheid te brengen.
hand-swipe-horizontalSwipe om alle gegevens te zien

Omdat er geen consensus bestaat over de indeling van de brief, biedt elke Bijbelvertaling een andere indeling.

Meer achtergronden

Meer over de opbouw, stijl, centrale thema’s en andere achtergrond bij Jakobus vind je in deze Inleiding bij Jakobus (NBV) en in deze Inleiding bij Jakobus (BGT).

Plek van deze passage in het geheel

Jakobus 1:16-27 vormt de overgang tussen twee delen van de brief. De verzen 16-18 ronden het eerste deel van de brief af, en de verzen 19-27 vormen de opmaat van het gedeelte waarin benadrukt wordt hoe geloven en handelen hand in hand gaan.

In het eerste deel heeft Jakobus gesproken over staande blijven in beproeving. Die beproeving kan ook bestaan uit wereldse verleidingen. Zulke verleidingen komen niet van God, zo legt Jakobus uit, maar vinden hun oorsprong in de menselijke begeerte. Die begeerte baart de zonde en de dood. God daarentegen is de volmaakte bron van het goede en brengt mensen het leven door de verkondiging van de waarheid, zo besluiten de verzen 16-18 dit eerste deel.

Vanaf vers 19 legt Jakobus uit hoe die verkondiging van de waarheid het leven brengt, namelijk doordat mensen dat wat als boodschap uitgezaaid is, tot bloei laten komen in de praktijk. Die kernboodschap brengt hij naar voren in vers 21b-22. Daaromheen geeft hij voorbeelden van hoe die boodschap tot bloei komt in de praktijk. Dit zijn de ethische thema’s die meermaals terugkeren in de brief: letten op je spreken en zorgen voor je medemens. In hoofdstuk 2 wordt het zorgen voor je medemens nader uitgewerkt, hoofdstuk 3 gaat in op het spreken.

Aantekeningen

Bij vers 16:

  • geliefde broeders en zusters, vergis u niet: voor een vergelijkbaar appel op de lezers zie 1:19 en 22. Vergelijk ook 2:1, 14; 3:1; 5:7, 12 en 19.

Bij vers 17:

  • de Vader van de hemellichten: deze uitdrukking komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. Zie ook de aantekening bij vers 27.

  • nooit enige verandering of verduistering: de onderliggende gedachte is dat de hemellichten (d.w.z. de sterren) vanwege hun vaste patronen een vorm van onveranderlijkheid laten zien. Maar zelfs de hemellichten zijn niet helemaal vrij van duisternis of verstoring, denk bijvoorbeeld aan een zonsverduistering. God, als schepper van de hemellichten (vgl. Ps. 136:7), overstijgt daarom zelfs de regelmaat van de hemellichten en is volmaakt vrij van verstoring of duisternis (vgl. 1 Joh. 1:5). Door over God als onveranderlijk te spreken sluit Jakobus aan bij een vorm van filosofisch denken die deel was geworden van de Joodse traditie, vooral in de Wijsheidsliteratuur (dat God niet verandert wordt ook genoemd in Mal. 3:6). Hij voert geen filosofische discussie, maar wil vooral benadrukken dat God de ultiem betrouwbare grond voor het goede is.

Bij vers 18:

  • verkondiging: in het Grieks staat hier logos, een betekenisvol woord dat in deze passage meermaals terugkeert – zie vers 21, 22 en 23.

  • tot leven roepen: letterlijk ‘baren’. De verkondiging van de waarheid (d.w.z. het evangelie, zie vs. 21; Ef. 1:13; Kol. 1:5) brengt leven en staat tegenover de zonde die dood voortbrengt (zie vs. 15). Vergelijk 1 Petrus 1:23-25.

  • eerste opbrengst: vergelijk 1 Korintiërs 15:20, waar christenen aangeduid worden als de eersten die aan de nieuwe schepping, aan het komende heil deelhebben, waarna alles en allen nog zullen volgen. Jeremia 2:3 duidt Israël metaforisch aan als ‘eerste vrucht’ van God, het uitverkoren volk onder de volken.

Bij vers 19:

  • traag zijn om te spreken: deze gedachte keert meermalen in de brief terug. Jakobus 3:1-13 spreekt uitgebreid over zelfbeheersing in het spreken. Jakobus legt uit welke impact woorden kunnen hebben. Ze blijven niet in de lucht hangen maar hebben een concrete uitwerking – woorden worden daden en taal kan verbinden of verdelen, opbouwen of afbreken. Ook in 1:26, 4:11-12 en 5:9 roept Jakobus zijn lezers op geen kwaad over elkaar te spreken (vgl. het gebod in Lev. 19:16 om geen lasterpraat rond te strooien; zie ook Ps. 39:2; Spr. 10:31; 11:13; Pred. 5:1; Sir. 5:11-14 en 28:12-26). Ook veel rabbijnen noemen de negatieve gevolgen van spreken en het Jodendom kent al 1500 jaar de bede tot God om onze tong in toom te houden; deze bede wordt nog steeds driemaal per dag geciteerd aan het eind van het Amida-gebed.

  • kwaad worden: zelfbeheersing t.a.v. woede is een thema dat voorkomt in de Wijsheidsliteratuur (zie Spr. 13:3; Pred. 7:9; Sir. 5:11). Jezus bespreekt dit onderwerp in de Bergrede (Mat. 5:21-22) en in andere Nieuwtestamentische brieven wordt het ook genoemd (zie bijv. Ef. 4:26).

Bij vers 20:

  • brengt niets voort dat in Gods ogen rechtvaardig is: letterlijk: ‘bewerkt de rechtvaardigheid van God niet’, d.w.z. dat men dan Gods rechtvaardigheid niet in praktijk brengt. In Jakobus 2:9 wordt op een vergelijkbare manier gesproken over ‘bewerken van de zonde’, d.w.z.: het in praktijk brengen van de zonde.

Bij vers 21:

  • de boodschap die in u is geplant: beeldtaal ontleend aan de plantenwereld komt vaker voor in de brief (zie ‘eerste opbrengst’ in vs. 18, vgl. 3:12 en 18 en 5:7-8), evenals in het onderwijs van Jezus (vgl. de gelijkenis van de zaaier, zie Mat. 13:3-8; Marc. 4:1-8; Luc. 8:4-8; of Jezus’ spreken over de vruchten van de boom, zie Mat. 7:17-20). Dit beeld wijst erop dat de boodschap, het goede nieuws, niet slechts een kennisgeving is, maar dat het een kracht is die je leven verandert. Daarom benadrukt Jakobus dat die boodschap niet alleen gehoord wil worden, maar ook door wil groeien in je levenswandel (zie vs. 21-23). Mensen kunnen die boodschap namelijk ook negeren en er tegenin gaan door de aardse wijsheid te volgen (zie Jak. 3:13-18; vgl. 1:14-15).

Bij vers 22:

  • u moet wat u gehoord hebt ook doen: voor Joden verwijst het ‘doen’ (lett. ‘daders van het woord’) naar het uitvoeren van Thora. Jakobus legt de morele oproep van ‘de boodschap die in u is geplant’ uit als het gebod barmhartig te zijn, in het bijzonder ten opzichte van weduwen en wezen, en meer algemeen door het leven vrij te houden van onreinheid en onrechtvaardigheid (zie verder vs. 27). In de Bergrede spreekt Jezus een vergelijkbare gedachte uit, zie Matteüs 5:17-20. Ook in 1 Johannes 2:3-11 wordt de verbinding gelegd tussen het horen en het doen van het liefdesgebod (vgl. Rom. 13:12; Ef. 4:21-22; Kol. 3:8; Heb. 12:1; 1 Petr. 2:1).

Bij vers 25:

  • de volmaakte wet, die vrijheid brengt: zie ook Jakobus 2:12 en vergelijk Psalm 19:8, ‘De wet van de HEER is volmaakt: levenskracht voor de mens.’ Bij ‘de wet’ denkt Jakobus op de eerste plaats aan de tien geboden (2:10-12; vgl. Ex. 20:13-14; Deut. 5:17-18) en (in 2:8) aan het ‘koninklijk gebod’ uit Leviticus 19:18. Deze wet is vergelijkbaar met ‘de boodschap’ in 1:21 en 1:23 en valt samen met Jezus’ woorden en de daaruit voortvloeiende levensleer. De gedachte dat het volgen van de (goede) wet vrijheid brengt, komt voor in Griekse filosofische tradities, die ook deel van de Joodse traditie zijn geworden. Zo wordt in een Joodse uitleg van Exodus 32:16 in plaats van de wet die in de stenen platen is ‘gegrift’ (Heb. charoet) het werkwoord gelezen alsof er ‘wet die vrijheid brengt’ (Heb. cheroet) staat. De grondgedachte hierbij is dat door de goede wet te volgen mensen vrijheid ervaren doordat ze tot hun ware bestemming komen.

  • geluk: in het Grieks staat hier makarios, een woord dat voorkomt in de Bergrede (zie Mat. 5:3-11) en in de Bijbel in Gewone Taal vertaald wordt met ‘het echte geluk’ (vgl. Ps. 106:3; Jes. 56:2; Luc. 11:28; Joh. 13:17).

Bij vers 26:

  • godsdienstig: de profeten in het Oude Testament (Jes. 1:11-15; Jer. 7:21-28; Amos 5:21-24; Hos. 6:6) wijzen op vergelijkbare manier schijnvroomheid af.

  • tong niet kan beteugelen: zie aantekening bij vers 19.

Bij vers 27:

  • God, de Vader: letterlijk staat er ‘God en Vader’. Wellicht op aangeven van Jezus benadrukten zijn volgelingen hun onderlinge relatie als die van een familie met God als vader (Marc. 3:31-35; 10:29-30; 11:25; Mat. 6:9; Luc. 11:2; Rom. 8:15-17; Gal. 4:6-7). Dit beeld komt sporadisch voor in de Hebreeuwse Bijbel (Jes. 63:16; 64:7-8; Jer. 3:4, 19; Ps. 68:5-6; 89:27; 103:13). In de Joodse traditie wordt ‘vader’ op zich eerder geassocieerd met Abraham of andere patriarchen dan met God (vgl. Joh. 4:12), terwijl ‘koning’ vaker als titel voor God gebruikt wordt. ‘Vader’ wordt soms gecombineerd met ‘koning’, b.v. in het latere Joodse gebed Avinoe Malkenoe ‘onze Vader, onze Koning’.