Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap
31 juli 2019Rob Favier

Wie het laatst lacht…

Staat er humor in de Bijbel? Jazeker, er zijn zelfs Bijbelgedeelten waar echt gelachen wordt. Maar dat kun je natuurlijk op vele manieren doen. Je kent ze vast ook wel: die mensen die, als ze eenmaal in de lach schieten, niet meer tot bedaren kunnen komen en iedereen mee krijgen. Maar misschien ken je ook wel medeschepselen die de lach hebben van een boer die nodig naar de tandarts moet. Dat is een heel ander soort gegiechel. Dat verspreidt meestal een zure sfeer om zich heen. Of iets van bitterheid. Die lach doet eigenlijk pijn. En het interessante aan de geschiedenis van het bejaarde echtpaar Abraham en Sara is dat beide manieren van lachen langskomen. 

Het begint al in Gen 17:17. God heeft Abraham zojuist beloofd dat hij de vader zal worden van een menigte volkeren. Maar Abraham heeft een klein probleempje: hij is honderd en je hoeft niet zo heel veel biologische kennis te hebben om te weten dat het dan best lastig kan zijn om nog vader te worden. Bovendien is zijn geliefde al negentig. Daarom moet hij lachen om die belofte. Niet dat Hij God uitlacht. Zeker niet, Abraham is heel gelovig. Maar waarschijnlijk heeft hij wel gelachen in de trant van: “Leuk en hartelijk bedoeld van God, maar je moet wel reëel blijven natuurlijk. Dit kan gewoon niet. Jammer, maar vader en moeder worden zit er voor ons niet meer in”.  Ik denk niet dat de lach van Abraham hier heel bitter was. Hij had ook oprecht geprobeerd om God een handje te helpen, want hij was op aanraden van Sara een avondje uit geweest met haar slavin Hagar en daar was wel een zoon uit voortgekomen: Ismaël. Daar kreeg Sara dan weer spijt van, want Hagar ging haar nu lopen uitlachen. Kortom: deze verhalenserie zou zo als soap kunnen worden verfilmd.

Een hoofdstuk verder, in Gen 18: 12-15 duikt de lach weer op, maar nu bij Sara. Dat is die lach van pijn en bitterheid. Van ongeloof dat er ooit nog iets kan veranderen in je leven. Daar werd ze ook op aangesproken door de mannen die in naam van God kwamen vertellen dat ze echt, zij en Abraham, in hun ouderdom nog een zoon zouden krijgen. En als een brugklasser die betrapt is, ontkent ze dat ze gelachen heeft. Er is ook niet zoveel te lachen als het leven je niet brengt wat je zo graag zou willen. In die tijd werd er vaak negatief gedacht over kinderloosheid. Je telde minder mee en sommige mensen fluisterden dat het een straf van God was. Dat ken je vast wel: dat wij zo graag namens God denken.

Maar uiteindelijk komen we terecht bij hoofdstuk 21. Daar wordt eigenlijk heel eenvoudig gezegd dat God zich aan zijn belofte hield. Oftewel: Sara wordt zwanger en krijgt een zoon. Er wordt nog even fijntjes bij gezegd dat dat precies op de tijd was die God had genoemd. En nú klinkt de lach van de blijdschap, van de overwinning, van de verrassing dat het opeens toch allemaal goed komt! Sara roept uit: “God maakt dat ik kan lachen!” Ze heeft het niet meer over dat akelige lachje van een jaartje terug, maar die lach waarin haar hele leven tot zijn vervulling komt. Ze is ook niet van plan om het stil te houden, want ze zegt in haar enthousiasme ook nog dat iedereen die het hoort met haar mee zal lachen. Wij dus ook.

En nu wij de hele geschiedenis van al dit getob weten, kunnen we misschien nog wel harder lachen. Want de grote ontknoping van alles is dat er een zoon wordt geboren die de naam Isaak krijgt. Omdat in de Bijbel de naam altijd iets zei over de persoon of over de omstandigheden waaronder iemand geboren werd, blijkt dat een fantastische naam te zijn. Isaak betekent namelijk: “Hij die lacht…”. Wat een mooi einde van deze zwangerschap! Hij die lacht… Misschien kunnen we het allemaal wel samenvatten in dat oer-Hollandse gezegde: “Wie het laatst lacht… dié lacht het best!”

Rob Favier, Theoloog en liedjesschrijver

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.21.9
Volg ons