Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Zonde in het Oude Testament: cultische zonde

In het Oude Testament spelen naast morele ook cultische overtredingen een rol. Deze komen met name aan de orde in de wetsteksten in de boeken Exodus tot en met Deuteronomium. Het gaat daarbij om het overtreden van regels voor de eredienst, bijvoorbeeld regels over het brengen van offers, het priesterschap en (on)reinheid (zie bijvoorbeeld Numeri 18:1). Ook zulke misstappen werden gezien als zonden tegenover God, omdat ze Gods heiligheid aantastten.

Het schenden van Gods heiligheid

Cultische overtredingen werden – zelfs als ze onopzettelijk waren gepleegd – beschouwd als zonden omdat de heiligheid van God en van de tempel erdoor geschonden werd. Mensen konden voor zulke overtredingen dan ook gestraft worden (zie bijvoorbeeld Leviticus 19:5-8). Ze moesten een offer (een ‘reinigingsoffer’ of ‘hersteloffer’) brengen of een ritueel ondergaan om de zonde ongedaan te maken (zie bijvoorbeeld Numeri 6:9-11). Als dat niet gebeurde, kon de cultische overtreding van één persoon het hele land ontwijden, en Gods straf over het hele land oproepen.

Oorsprong

Vanuit onze huidige leefwereld is het moeilijk te begrijpen dat een overtreding op cultisch gebied als zonde werd gezien, vooral als de overtreding onopzettelijk was. Toch was deze voorstelling gebruikelijk in Israël en het Oude Nabije Oosten. De meeste volken beschouwden zonde als het overtreden van een taboe, of als het beledigen van de goden of de geesten. Dat kon gebeuren zonder dat men het zelf door had. Van die denkwijze zijn in sommige delen van het Oude Testament sporen terug te vinden.

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons