Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Zonde in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament is zonde, net als in het Oude Testament, een belangrijk thema. Een verschuiving die heeft plaatsgevonden, is dat de nadruk komt te liggen op Jezus Christus' overwinning van de zonde.

Zonde en de wet

In het vroege Jodendom was het denken over zonde nauw verbonden met de Joodse godsdienstige wetten. Deze ‘wet’ (de Tora) omschreef de wil van God, en het overtreden ervan werd als zonde gezien. In sommige delen van het Nieuwe Testament (Hebreeën, Jakobus) vinden we dit idee terug, maar het grootste deel van het Nieuwe Testament keert zich tegen deze opvatting. Jezus deed de wet weliswaar niet af als iets onbelangrijks, maar hij vond een zuiver innerlijk belangrijker dan uiterlijke tradities en regels (zie Matteüs 15:3-9; Marcus 7:21-23).
In de vroege kerk woedde in de beginperiode een discussie over het belang van de wet. Uiteindelijk won, onder invloed van Paulus, de gedachte dat de wet niet langer de basis was van het denken over rechtvaardigheid en zonde (Handelingen 10-11).

De wet als bewijs van zondigheid

Het denken over zonde in relatie tot de wet is vooral uitgewerkt door Paulus. Voor Paulus was de Joodse wet heilig, maar hij was ervan overtuigd dat mensen niet rechtvaardig konden worden door zich aan de wet te houden. De wet leidt niet tot rechtvaardigheid, maar juist tot veroordeling, want niemand kan de wet volledig en perfect naleven. Daarom bewijst de wet hoe zondig de mens is (zie onder andere Galaten 3:19-24).
In Romeinen 5:12-8:10 beschrijft Paulus de zonde als een kwade macht die via de wet de mens aan zich bindt en hem veroordeelt.

Verzoening door Jezus

Volgens Paulus vallen alle mensen, zowel Joden als christenen, onder het oordeel van de zonde (Romeinen 1-3). Maar door de dood van Jezus Christus kunnen zondaars die in Jezus  geloven, verzoend worden met God (Romeinen 5:17).
Door het hele Nieuwe Testament heen vinden we dit idee terug: Jezus is degene die de mensen redt van hun zonden (zie Matteüs 1:21; Johannes 1:29). Hij heeft de zonde overwonnen door zijn dood aan het kruis (1 Petrus 2:24; 1 Johannes 1:7). Daardoor wordt de gelovige een nieuw mens (Kolossenzen 3:10-11): zijn oude zondige natuur is vervangen door een nieuwe geestelijke natuur (zie Romeinen 8:10).

Oorsprong van zonde

Jezus noemt als oorsprong van de zonde het menselijk hart (Marcus 7:21-23). Paulus noemt het domein van het kwaad in de mens ‘het vlees’. Hij doelt daarmee vooral op lichamelijke begeerten die tot zonde kunnen leiden. De oorsprong van de zonde wordt door Paulus ook in verband gebracht met Adam: door de overtreding van Adam is er zonde in de wereld gekomen (Romeinen 5:12-19). 

Voorbeelden van zonden

In het Nieuwe Testament wordt zo’n twintig keer een opsomming van verschillende zonden gegeven, bijvoorbeeld in Matteüs 15:19; Romeinen 1:28-30 en 1 Petrus 4:3. Voorbeelden die genoemd worden, zijn moord, overspel, ontucht en diefstal.
Een zonde die elders in het Nieuwe Testament (vooral in de brief aan de Hebreeën) regelmatig ter sprake komt, is het afwijzen van Jezus Christus (Johannes 15:22).

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.15
Volg ons