Matteüs 9:9-13 – Preekinspiratie
Waar gaat het om in dit gedeelte?
Matteüs 9:9-13 beschrijft de roeping van de tollenaar Matteüs en een daaropvolgend conflict over Jezus’ omgang met tollenaars en zondaars. In de roeping van de tollenaar Matteüs en de daaropvolgende maaltijd met zondaars wordt Jezus’ zending expliciet verwoord (‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars’) en onderbouwd door zijn gezaghebbende schriftuitleg van Hosea 6:6. Gods barmhartigheid heeft nu prioriteit boven andere, op zichzelf goede gewoonten.
Klik om deze passage te lezen in de NBV21
Hier
En wanneer je een Plus-account hebt, vind je hier
Invalshoeken voor de verkondiging
- Jezus roept de tollenaar Matteüs, die meteen opstaat en Jezus volgt. Tollenaars waren erg onpopulair in de maatschappij. Jezus ontvangt Matteüs en andere tollenaars en zondaars in zijn huis. Natuurlijk met de bedoeling dat de zondaars tot inkeer komen, maar deze praktijk gaat in tegen het wijze advies om je in goed gezelschap op te houden. Hoe kijken wij daartegen aan in de kerk? Is de kerk nog wel een plek voor zondaars en tollenaars? Hoe kunnen we buitenstaanders die in ieders ogen ‘zondaar’ zijn – iemand die niet volgens Gods geboden leeft – uitnodigen en een nieuwe gemeenschap met diegenen creëren? En hoe gaan we om met mensen die wel in de kerk zijn, maar zich innerlijk een buitenstaander voelen?
- Met Jezus’ citaat ‘barmhartigheid wil Ik, geen offers’ raakt Hij een gevoelig punt. Het vraagt inzicht en fijngevoeligheid om te bepalen wat prioriteit heeft in een bepaalde situatie. Offers zijn goed en belangrijk, maar er kan een situatie zijn dat er een andere prioriteit is. Hier is dat Jezus’ missie om te verkondigen en te tonen dat de tijd van Gods barmhartigheid voor zijn volk aangebroken is. Wie dat niet ziet, heeft het mis, aldus Jezus. Vaak belijden we wel dat barmhartigheid voorgaat, maar zijn we toch ook heel zorgvuldig in het beschermen van andere belangen. Waar zouden wij barmhartiger kunnen zijn? En hoe zouden we Jezus’ visioen van een wereld van gerechtigheid, vrede en vreugde leidend kunnen maken in de kerk en in ons leven?
- Jezus maakt duidelijk dat Hij gekomen is om zondaars te roepen. Hij geeft het voorbeeld en riskeert zijn reputatie door een gemeenschappelijke maaltijd. Zo moeten later ook Jezus’ leerlingen iedereen onderwijzen wat Jezus hun onderwezen had. In hoeverre zijn wij als kerk bezig met de missie om ‘zondaars’ te roepen en hen te laten delen in Gods koninkrijk?
Context van Matteüs 9:9-13
Het boek Matteüs als geheel
Meer over zaken als de historische context, opbouw, centrale thema’s en andere achtergrond bij het Evangelie volgens Matteüs vind je in deze Inleiding bij het Evangelie volgens Matteüs
Plek van deze passage in het geheel
Matteüs 9:9-13 staat midden in de passage Matteüs 8-9, een verhalencyclus met wonderen en conflicten. Dit vindt allemaal plaats in Galilea, nog voor Jezus op weg gaat naar Jeruzalem. Na Jezus’ demonstratie van zijn gezag door niet alleen te genezen maar ook zonden te vergeven laat deze perikoop zien wie Hij roept en waarom. Na dit gedeelte komt er een nieuwe groep die een vraag aan Jezus stelt, dan over vasten (9:14-17). Na andere wonderverhalen begint de tweede grote toespraak in Matteüs: de zendingsrede (Mat. 10).
Opbouw en kern van de passage
Matteüs 9:9-13 heeft een duidelijke, concentrische opbouw die van handeling naar uitleg beweegt:
- in vers 9 de roeping van Matteüs (initiatief van Jezus, directe navolging),
- in vers 10 de maaltijdscène waarin die roeping sociaal wordt uitgewerkt (gemeenschap met tollenaars en zondaars),
- in vers 11 de kritische vraag van de farizeeën (probleemstelling), en
- in verzen 12-13 het tweevoudige antwoord van Jezus, eerst in de vorm van een wijsheidsspreuk (‘niet de gezonden, maar de zieken’) en vervolgens met een chriftcitaat uit Hosea 6:6 dat de theologische kern duidelijk maakt.
De kern van Matteüs 9:9-13 is dat Jezus zijn reputatie op het spel zet omdat Hij als een dokter bij zieken wil zijn. Het herstel van Israël is nu belangrijker dan de goede gewoonte niet met zondaren aan tafel te zitten.
Eigenheid van Matteüs ten opzichte van Marcus en Lucas
Matteüs 9:9-13 vinden we ook in Marcus en Lucas terug. Matteüs heeft de passage van Marcus overgenomen, net als Lucas, en heeft de passage aangepast zodat het beter in zijn evangelie past. Vergeleken met Marcus 2:13-17 neemt Matteüs (9:9-13) het kernverhaal over, maar verscherpt hij het theologische profiel: enerzijds kort hij het verhaal in (zoals Matteüs veel vaker met Marcus’ verhalen doet), anderzijds voegt hij expliciet toe de roeping ‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars’, waarmee hij de betekenis van de scène zelf samenvat. Het Hosea-citaat (‘Barmhartigheid wil Ik, geen offers’) krijgt een zwaarder gewicht door de didactische formulering ‘Overdenk eens goed wat dit wil zeggen’.
In vergelijking met Lucas 5:27-32 is Matteüs ook anders. Lucas benadrukt dat het een ‘groot feestmaal’ (dochēn megalēn) is en de vreugde over bekering (past ook bij bijvoorbeeld de gelijkenissen in Luc. 15), terwijl Matteüs soberder vertelt en de chriftuitleg en het conflict met de farizeeën centraler plaatst. Lucas spreekt expliciet over bekering (metanoia; 5:27-32), Matteüs over roeping en barmhartigheid. Matteüs benadrukt daarmee dat Jezus’ omgang met zondaars de essentie is van zijn messiaanse opdracht.
Jezus bij Levi
Aantekeningen per vers
Bij vers 9
- Toen Jezus van daar verderging: Jezus was in Kafarnaüm (zie vs. 1).
- zag Hij bij het tolhuis een man zitten: Belasting (waarschijnlijk vooral voor vissers) werd in Kafarnaüm geïnd voor Herodes Antipas, die tetrarch over Galilea was. De tollenaar Matteüs was daarom waarschijnlijk geen directe Romeinse collaborateur, maar tollenaars werden door sommige Joden gehaat vanwege hun steun aan een onpopulaire regering en omdat ze niet of nauwelijks rekening met de economische situatie van de mensen rekening hielden. Kafarnaüm was een logische plaats voor een tolhuis, aangezien het grensde aan het land van Herodes Philippus en de Dekapolis in het zuiden.
- die Matteüs heette: In Marcus en Lucas heet de man Levi, hoewel in de namenlijsten van de leerlingen de naam Levi niet voorkomt, maar Matteüs wel (Marc. 3:18; Luc. 6:15; Hand. 1:13). De verschillen in namen zouden verklaard kunnen worden door dubbele namen: een Semitische en een Griekse (zoals Simon/Kefas, Jezus/Barabbas, Josef/Barnabas). Het Hebreeuws, mattitjahoe, betekent ‘geschenk van de Heer’. Lang gold deze passage als identificatie van de leerling met de auteur van het evangelie, maar dat is allerminst zeker. Wel zeker is dat in dit evangelie Jezus een tollenaar tot de binnenste kring van leerlingen roept (zie Mat. 10:3).
- ‘Volg Mij.’ Hij stond op en volgde Hem: Dat Jezus vissers roept is nog tot daaraan toe, maar dat Hij een tollenaar roept om Hem te volgen, en nog wel als een van de twaalf (Mat. 10:3), is een serieus reputatierisico. Het is niet voor niets dat in vers 10 tollenaars in één adem met zondaars worden genoemd (zie ook 11:19; Luc. 15:1; 18:9-14). De beschrijving van Matteüs’ roeping is erg kort en doet denken aan het ‘volg Mij’ in 4:19-22. Matteüs’ opvallende reactie is: hij staat op en volgt Hem.
Terug naar Kafarnaüm
De zorg om wat verloren is
Bij vers 10
- Toen Hij in zijn huis aanlag voor de maaltijd: Sommige geleerden denken dat het om Matteüs’ huis gaat; ‘zijn’ kan in het Grieks ook wijzen op Matteüs (zie parallel in Luc. 5:29). Toch is het aannemelijker dat het om Jezus’ huis gaat, want de evangelist heeft al eerder aangegeven dat Jezus een woonplek heeft in Kafarnaüm (4:13).
- aanlag voor de maaltijd: Sommige Joodse bronnen zeggen dat men bij een normale maaltijd zat. Aanliggen deed men alleen bij feestmaaltijden (zie Luc. 5:29).
- kwam er ook een groot aantal tollenaars en zondaars: Jezus’ huis stond open voor allerlei mensen, hier duidelijk degenen die moreel gezien een discutabele status hadden. Een Joodse bron noemt tollenaars samen met inbrekers. Zondaars gaat hier volgens sommige geleerden voornamelijk om degenen die zich niet aan de reinheidsregels van de schriftgeleerden hielden. Maar dat is onwaarschijnlijk. Rituele onreinheid was niet verboden en niet zondig. Het nuttigen van een maaltijd in onreine staat was expliciet toegestaan (Deut. 12:15). Dus als Jezus op de een of andere manier ritueel onrein zou worden tijdens een maaltijd, hoort dat bij de dagelijkse gang van zaken en gaat dat niet tegen de wet in. De kritiek van de farizeeën gaat bovendien niet over eigen reinheidsregels waar Jezus zich niet aan zou houden, maar over de algemeen gedeelde wijsheid dat je je niet in de kring van zondaars moet ophouden (zie onder meer Ps. 1).
- die samen met Hem en zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen: In de antieke wereld betekende een gezamenlijke maaltijd ook een identificatie met elkaar; een gezamenlijke maaltijd is een teken dat je bij elkaar hoort. Voor een Joodse leraar was het delen van een maaltijd met ‘zulke’ mensen een schande. Dat geldt eens te meer voor iemand die het nieuwe, herstelde Israël aankondigt, dat vrij van zonden is. Toch zijn zondaars welkom om samen een feestmaal te genieten. Dit doet denken aan het eschatologische messiaanse feestmaal (8:11; 22:1-14; 25:1-13; 26:29). Waarschijnlijk werd dit dan ook als een profetische voorafschaduwing van het koninkrijk van God ervaren. Voor de zondaars is er vergeving als ze terugkeren naar God (zie het verhaal voorafgaand aan deze passage, in het bijzonder vs. 6).
Eerste boek
Bij vers 11
- De farizeeën zagen dit: Waarschijnlijk paste een grote menigte niet goed in een gewoon huis. Wellicht stonden er mensen rondom het huis. In een klein dorp als Kafarnaüm was het waarschijnlijk snel bekend dat er een feestmaal werd aangericht.
- en zeiden tegen zijn leerlingen: Waar de farizeeën eerst nog bij zichzelf denken (vs. 3), richten ze zich nu tot de leerlingen, niet tot Jezus zelf. Was Jezus binnen en de leerlingen buiten? We weten het niet. Opvallend is dat ze Jezus niet direct durven aan te spreken. Ook in Matteüs 12:1-2 en 15:1-2 bekritiseren ze Jezus niet direct, maar indirect door het gedrag van zijn leerlingen ter discussie te stellen.
- Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?: Hier wordt de veronderstelling uit de eerdere verzen expliciet benoemd: het is ongehoord dat een leraar met ‘zulke’ mensen eet. Hieruit blijkt, en ook uit de aanspreekvorm ‘meester’, dat de farizeeën Jezus serieus namen; een leraar, die geen zondaar was, moest zich beter niet met zondaars ophouden. Het is alsof een milieuactivist opeens voor een zwaar vervuilend bedrijf gaat werken.
Jezus en de sabbat
Rein en onrein
Bij vers 12
- Hij hoorde dit: Jezus vangt de vraag op, net zoals eerder in Matteüs 9, waar de farizeeën bij zichzelf dachten.
- Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel: Het punt van deze uitspraak is dat elke ‘geneesheer’ vuile handen moet maken. Hier in Matteüs is de parallel duidelijk: de ‘zieken’ zijn de tollenaars en zondaars, de ‘gezonden’ Jezus’ tegenstanders en Jezus de geneesheer. Jezus is het dus ook met de farizeeën eens dat zijn tafelgenoten slechte, ‘zieke’ mensen zijn.
Bij vers 13
- Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: Deze zin is een rabbijnse formule om leerlingen te onderwijzen. Hier wordt het ironisch gebruikt, want hoewel de farizeeën duidelijk zouden moeten weten wat het citaat betekent, zijn ze in het Matteüs-evangelie altijd degenen die het niet begrijpen. Over hun hoofden heen zegt Matteüs’ Jezus dit tot de lezers, want Hij komt er later op terug (Mat. 12:7: ‘Als u had begrepen […]’).
- Barmhartigheid wil Ik, geen offers: Een citaat uit Hosea 6:6 dat dicht bij de Septuaginta staat. Hosea 6:6 gaat in tegen de menselijke intuïtie en neiging om verkeerde prioriteiten te stellen en de verkeerde afweging te maken. Bijvoorbeeld je richten op één ding en daardoor uit het oog verliezen wat belangrijker is, of je uit gemakzucht of kwaadwilligheid verschuilen achter plichtplegingen en het wezenlijke tenietdoen. Het gaat er natuurlijk niet om dat er geen offers meer mogen worden gebracht, het gaat erom wat belangrijker is. Het is hierbij goed om te weten dat sommige verplichtingen een opschortende werking hebben voor minder belangrijke regels. Om een hoogfeest in de tempel voor te bereiden mag een priester bijvoorbeeld de sabbat ontwijden (zie Mat. 12:5). Zo is hier ‘barmhartigheid’ belangrijker dan andere goede regels van God, zoals die voor de tempel. Jezus zegt in Matteüs 12:6: ‘Hier gaat het om iets groters dan de tempel’, namelijk het eschatologische herstel van Israël. In Hosea, maar ook breder in de Bijbel, staat ‘barmhartigheid’ voor Gods daad van herstel (o.a. Hos. 1:6-7; 2:25; Mat. 5:7; Luc. 1:54, 72, 78). Met andere woorden, in het licht van het eschatologische herstel dat Jezus aankondigt en brengt zijn sommige goede gewoonten en regels minder belangrijk dan de opdracht om zondaren tot inkeer te brengen. Het is dus niet zo dat Jezus zegt: lief zijn voor elkaar is belangrijker dan regels – dat is een valse tegenstelling.
- Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars: Zowel de goeden als de slechten worden geroepen het koninkrijk van God binnen te gaan (zie 22:9-10). Jezus daagt de farizeeën uit: degenen die offer voor barmhartigheid stellen, hebben het mis. Zij zien zichzelf misschien als rechtvaardig omdat zij het ‘juiste’ doen. Maar wat op zichzelf goed is, wordt verkeerde inschatting als ze niet zien dat ‘het koninkrijk van de hemel nabij’ is (Mat. 4:17) en God door middel van zijn Zoon redding zal brengen. De cruciale vraag is of ze erkennen dat Jezus is gekomen om ‘zijn volk te bevrijden van hun zonden’ (1:21). Het punt is dat zondaars niet zondaars blijven, maar dat ze echte rechtvaardigheid vinden.
Achtergrondinformatie
Toelichting bij kernwoorden en begrippen
