Op het feest van Hemelvaart, veertig dagen na Pasen (vgl. v. 3), wordt ieder jaar, zowel in de A-, B- als C-cyclus, de lezing Handelingen 1,1-11 gelezen, de andere lezingen variëren. Het verhaal over de opname van Jezus in de hemel staat dus centraal en verdient daarom in deze inleiding het eerst de aandacht.
Handelingen 1,1-11
Het evangelie van Lucas sluit af met een kort verslag van het einde van de dag dat Jezus uit de dood werd opgewekt en zich opnieuw verenigde met zijn leerlingen. In vers 24,51 staat: ‘Terwijl Hij hen zegende ging Hij van hen heen en werd Hij in de hemel opgenomen’. Bij het begin van het boek Handelingen wordt deze scene hernomen en uitgewerkt in het verhaal dat de lezing van vandaag vormt. Deze herhaling hangt samen met het feit dat Lucas-Handelingen als een dubbelwerk geconcipieerd is. De gebeurtenis van de hemelvaart is daarbij het scharnierpunt geworden, wat het belang ervan aangeeft. Ik wijs in het volgende op enkele aspecten die dat belang accentueren.
In Handelingen 1,1 staat in het Grieks dat Lucas in zijn eerste boek (het evangelie) heeft verteld over wat Jezus begon te doen en te onderwijzen vanaf het begin tot de dag waarop Hij in de hemel werd opgenomen. In de vertalingen valt dat woordje ‘beginnen’ veelal weg, wat jammer is. Het woord ‘beginnen’ suggereert namelijk dat Jezus na zijn hemelvaart verdergaat met handelen, en dat is eigenlijk precies wat er in het boek Handelingen verteld wordt en al in het evangelie is voorbereid. Met de gave van de heilige Geest, die hier wordt aangekondigd (v. 5) en met Pinksteren daadwerkelijk plaatsvindt, zet Jezus nu in de leerlingen, in de groeiende Kerk, zijn werk voort.
Dat werpt een speciaal licht op de hemelvaart. Dat is dus geen breuk of afscheid, maar eerder een moment van besef van een nieuwe relatie. De verrijzenis is de ervaring van de voortgezette aanwezigheid van Jezus. Hij is levend onder ons, en Lucas doet alle moeite om te benadrukken dat we dat heel concreet moeten opvatten (vgl. Luc. 24,37-43 en hier v. 3). Maar er is tegelijk iets veranderd, iets anders geworden in die aanwezigheid. In het verhaal van de hemelvaart wordt dat geaccentueerd; de hemelvaart symboliseert die verandering: ‘een wolk onttrok Hem aan het gezicht.’ De leerlingen moeten wennen aan de nieuwe relatie, ze staren naar de hemel, totdat de twee mannen in het wit hen wakker schudden. ‘Hij komt terug zoals Hij is weggegaan’, zeggen ze. Omdat Hij niet echt is weggegaan, hoeven we ons ook geen zorgen te maken over zijn terugkomst.
De vraag van de leerlingen naar de komst van het Koninkrijk (v. 6) is het verlangen naar tastbaar resultaat, naar veranderingen die blijvend zijn. Dat zijn onze eeuwige, menselijke en waarschijnlijk wat ongeduldige verlangens bij alles wat we doen. Die worden bij de leerlingen ook na veertig dagen van voorbereiding niet gestild. Alleen God weet wanneer de voltooiing komt, maar wij zullen de heilige Geest, de kracht ontvangen om te doen wat we moeten doen.
Zie: H.M.J. Janssen OFM, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73.
Matteüs 28,16-20
Aan het eind van het evangelie keert Jezus als Verrezene weer terug naar de berg in Galilea. Die plek refereert aan de berg van de Bergrede (5,1). Deze laatste woorden van Jezus aan zijn leerlingen kunnen we daarom in nauw verband zien met die uitgebreide toespraak waarmee Jezus zijn optreden begon. Die was in eerste instantie ook gericht tot de leerlingen. Als Jezus hier zegt: ‘Leer alle volken om alles te onderhouden wat Ik jullie geboden heb’, dan gaat het zeker om wat Hij die andere keer op de berg zijn leerlingen op het hart gedrukt heeft: ‘Doe wat je zegt, vervul de Wet op de speciale manier die Ik voordeed: vergeld kwaad met goed, wees bescheiden, verras met je goedheid.’
Het leggen van een direct verband tussen deze slotwoorden van het evangelie en de Bergrede haalt de verraderlijke angel uit de missionaire ijver waartoe Jezus hier oproept. Dat is namelijk een aspect dat misverstanden kan opwekken. Als je zozeer vervuld bent van het heil dat je uit te delen hebt, kan gebeuren wat meer dan eens gebeurd is in de twintig eeuwen die gevolgd zijn op deze zending van de allereerste christenen: dat het heil opgelegd wordt en daarmee verandert in onheil. Als je de volken wilt onderrichten in de geest van Jezus, onderricht je misschien nog het meest jezelf, of liever gezegd: laat je je onderrichten. De Bergrede wijst in de volle breedte op constante zelfcorrectie.
De woorden in vers 18: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde’, moeten we daarom in het licht zien van de kleine beweging die het christendom nog was op het moment dat Matteüs deze woorden schreef. Niet-christenen zullen toen bij het horen hiervan misschien gedacht hebben: wat kan de macht zijn van die gestorven man die volgens sommigen levend is? Er werd dus zeker niet de hegemonische macht bedoeld die er in later tijden vaak van gemaakt is. We moeten denken aan de macht van liefde, verzoening en vergeving, van de ene en de andere wang, van alles wat Jezus voorgeleefd heeft en waarin Hij levend aanwezig bleef bij zijn leerlingen alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.
Efeziërs 1,17-23
Wat in dit fragment uit de brief aan de Efeziërs gezegd wordt, kunnen we lezen als uitwerking van wat Jezus in Matteüs 28 wil dat de leerlingen leren aan alle volken. In het eerste deel van hoofdstuk 1 heeft de schrijver van de brief de lezers en toehoorders al een flink hart onder de riem gestoken: al van voor de grondvesting van de wereld heeft God ons in liefde uitgekozen om geheiligd en gereinigd voor Hem te staan (v. 4). Onze diepste bestemming is in liefdevolle relatie met God te leven. Christus wijst ons daarin de weg, we worden niet gegijzeld door onze beperktheid, zondigheid en mislukkingen. We zijn daarvan juist bevrijd!
Het gaat dan om dat we God zo beter leren kennen (v. 17), zijn overweldigende kracht, die zich niet aan ons opdringt, maar die er gewoon altijd is, die bij ons blijft en altijd mijn eenvoud, mijn transparantie en mijn volle menselijkheid wil.
Alle machten van de wereld zijn aan Christus onderworpen (vv. 21-22). Dat correspondeert direct met de macht waarover in Matteüs 28 werd gesproken. We weten dus dat het hier niet om grootspraak of triomfalisme gaat. In de tijd dat deze woorden geschreven werden (net als die van het evangelie van Matteüs ergens in de laatste twintig jaar van de eerste eeuw) was daar geen enkele aanleiding voor. De macht waar hier over gesproken wordt, heeft te maken met de wonderbaarlijke transformatie die mensen kunnen ondergaan wanneer ze zich gedragen weten door God en de levende Christus aanwezig weten in hun leven. Ogenschijnlijk kleine gemeenschappen kunnen zo, met Hem als hoofd, gezamenlijk de belichaming zijn van Gods macht en volheid.
Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53.
Psalm 47
Deze psalm is een van de koningspsalmen (net als bijvoorbeeld 2, 45, 93, 96, 97, 98, 99 en 110). Deze psalmen benadrukken de heerschappij van God en zijn gezalfde, de koning, en worden gebruikt in zowel de joodse als de christelijke traditie om de messiaanse heerschappij te verbeelden.
In Psalm 47 is God koning over alle volken en alle volken worden door Hem onderworpen aan het godsvolk. Dit koningschap zal pas aan het einde der tijden voor iedereen duidelijk zijn. Deze eschatologische lezing, die al oude, voorchristelijke papieren heeft, zet chauvinistische en nationalistische interpretaties buitenspel.
Het is op voorhand dus ook geen uitgemaakte zaak wie het godsvolk is, dat vanaf vers 4 aan het woord komt. Wij christenen kunnen aan onszelf denken, maar beseffen tegelijk dat dat gemakzuchtig en triomfalistisch is. Vruchtbaarder is het om het open te laten. God zelf nodigt ons uit om deel van het godsvolk te worden.
Het is een interessante gedachteoefening om bij het godsvolk in eerste instantie te denken aan de armen, vervolgden en uitgestotenen van deze wereld. Als zij het nu zijn bij wie, volgens vers 10, de vorsten van de volken zich aan zullen sluiten? Als de rijken en machtigen der aarde zich voegen naar de armen, dan zijn we waar we wezen moeten, in het rijk van recht en vrede, het Koninkrijk van God, waar Hij Koning is, Heer en Hoogste.
In het verband met de andere lezingen van Hemelvaart: deze psalm biedt ons een uiteindelijk perspectief. Dit vergezicht schonk de verrezen Heer aan zijn leerlingen toen Hij daar, ook weer op een berg (namelijk de Olijfberg), door een wolk aan het oog onttrokken werd.
door: drs. Marc van der Post
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 98-03
