8Laat mij dan klagen, laat me schreeuwen,
laat mij naakt en blootsvoets gaan,
laat mij huilen als een jakhals,
laat mij roepen als een struisvogel.
9De wonden van Samaria zijn ongeneeslijk,
ze reiken tot aan Juda,
ze raken aan de poort van mijn volk,
ze raken Jeruzalem.
10Vertel het niet in Gat,
ween daar niet.
Wentel je in het stof
van Bet-le-Afra.
11Trek verder in gevangenschap,
bevolking van Safir,
naakt en in schande.
Ook de bevolking van Saänan
kon niet ontkomen.
Een rouwklacht in Bet-Haësel,
de stad wordt jullie ontnomen.
12De bevolking van Marot
heeft gehoopt op het goede,
maar het onheil van de HEER daalde neer
tot bij de poorten van Jeruzalem.
13Span de paarden voor de wagen,
bevolking van Lachis;
in jou huist het kwaad van Israël,
de oorsprong van de zonde van Sion.
14Neem daarom afscheid van Moreset-Gat;
Achzibs werkplaatsen worden voor Israëls koningen
als een drooggevallen beek.
15Opnieuw zal Ik een bezetter sturen,
bevolking van Maresa;
de edelen van Israël zullen naar Adullam vluchten.
16Scheer je haar af, scheer je kaal
om de kinderen die je geluk uitmaken.
Scheer je zo kaal als een gier,
want ze worden bij je weggehaald.